ECLI:NL:RBROT:2021:9217

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 september 2021
Publicatiedatum
27 september 2021
Zaaknummer
FT EA 21-886
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FaillissementswetBesluit compensatie gedupeerden in schuldentraject, 28 mei 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gedwongen schuldregeling wegens onvoldoende inspanning en onzekerheid saneringskrediet

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser te dwingen akkoord te gaan met een schuldregeling waarbij zij 4,66% van de totale schuldenlast betaalt. Zes schuldeisers stemden in, één schuldeiser niet. De rechtbank oordeelt dat het belang van de weigeraar zwaarder weegt dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers.

De rechtbank constateert dat verzoekster onvoldoende heeft aangetoond dat zij zich maximaal heeft ingespannen om betaald werk te vinden, wat haar afloscapaciteit zou kunnen verhogen. Ook is onvoldoende onderbouwd dat haar inkomen niet zal stijgen. Daarnaast is het niet uitgesloten dat verzoekster als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire zal worden aangemerkt, wat volledige compensatie van schuldeisers zou vereisen.

Gezien deze omstandigheden is het aanbod niet het uiterste dat verzoekster kan bieden en weegt het belang van de schuldeiser die weigert mee te werken zwaarder. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af om de schuldeiser te dwingen in te stemmen met de schuldregeling. De beslissing over de schuldsaneringsregeling volgt in een aparte procedure.

Uitkomst: Het verzoek om de schuldeiser te dwingen in te stemmen met de schuldregeling wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 20 september 2021
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 12 juli 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten [schuldeiser], vertegenwoordigd door [naam bedrijf] (hierna: [schuldeiser]), die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 13 september 2021 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer M. van Enkhuizen, werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
[schuldeiser] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeven concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 35.452,15 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 21 april 2021 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 4,66% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.
De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Zes schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 284,36 op verzoekster, welke 0,8% van de totale schuldenlast beloopt.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting aangegeven dat zij geen stijging in het inkomen van verzoekster verwachten, waardoor voor een saneringskrediet is gekozen.
Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat haar vorige werkgever haar arbeidsovereenkomst als keukenhulp niet heeft verlengd doordat zij in de Ziektewet is beland wegens een spierbeklemming. De gevolgen van die spierbeklemming zouden haar nog altijd beletten om als keukenhulp te werken. Verzoekster wil daarom fysiek minder belastend werk doen, maar denkt dat het lastig is werk te vinden waarvoor zij niet geschoold is.
Voorts heeft verzoekster haar twijfels geuit over of zij al dan niet is aan te merken is als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft zichzelf nog niet aangemeld bij de Belastingdienst. Er staat één kinderopvangtoeslagschuld op de crediteurenlijst van € 148.=.

3..Het verweer

[schuldeiser] heeft niet gereageerd op het aanbod van verzoekster. Zij heeft alleen de stand van zaken betreffende de hoogte van haar vordering op verzoekster kenbaar gemaakt.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [schuldeiser] ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting kenbaar te maken of toe te lichten.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Het is niet vast komen te staan dat het aanbod het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Verzoekster heeft tot nu toe onvoldoende aannemelijk weten te maken dat zij zich maximaal heeft ingespannen om betaald werk te vinden. Uit de stukken en hetgeen verhandeld is ter zitting blijkt dat verzoekster hiertoe wel in staat moet worden geacht. Verzoekster is niet ontheven van haar arbeidsverplichting vanuit de uitkerende instantie. Verder heeft verzoekster nagelaten om ter zitting sollicitaties te overleggen, terwijl het verzoek daartoe in de uitnodigingbrief vermeld staat.
Daarnaast heeft schuldhulpverlening onvoldoende weten te onderbouwen dat verzoekster (de komende jaren) geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige Participatiewet-uitkering.
Op basis van de stukken en hetgeen verzoekster ter zitting heeft verklaard hierover, is het voorts niet uit te sluiten dat zij op enig moment als gedupeerde van de Belastingdienst in de kinderopvangtoeslagaffaire aangemerkt zal worden. In dat geval strekt het Besluit van 28 mei 2021 (hierna: het Besluit) [1] ertoe dat de schuldeisers van verzoekster volledig gecompenseerd dienen te worden. Het onderhavige saneringskrediet ziet echter toe op een gedeeltelijke compensatie, waarbij de schuldeisers voor een zeer groot deel van hun vorderingen finale kwijting dienen te verlenen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van [schuldeiser] als weigerende schuldeiser zwaarder weegt dan dat van verzoekster of de overige schuldeisers en dat [schuldeiser] in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt dan ook afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 september 2021. [2]

Voetnoten

1.Staatscourant,
2.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.