Verzoekers hebben een verzoek ingediend om de gemeente Rotterdam te dwingen akkoord te gaan met een schuldregeling die zij aan hun schuldeisers hebben aangeboden. Deze regeling voorziet in een gedeeltelijke betaling aan preferente en concurrente schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoekster en ondersteund door een saneringskrediet.
De gemeente Rotterdam weigert mee te werken aan de regeling voor twee van haar preferente vorderingen, omdat zij deze niet te goeder trouw acht en zich beroept op artikel 60c van de Participatiewet. De rechtbank overweegt dat schuldeisers in beginsel recht hebben op volledige betaling, maar moet beoordelen of de weigering van de gemeente redelijk is gezien de belangen van verzoekers en overige schuldeisers.
De rechtbank constateert dat verzoekers mogelijk gedupeerd zijn in de kinderopvangtoeslagenaffaire en dat het aangeboden saneringskrediet niet voorziet in volledige compensatie van schuldeisers. De rechtbank oordeelt dat het voorstel niet het uiterste is wat verzoekers kunnen bieden en dat schuldhulpverlening beter een prognoseakkoord had kunnen nastreven. Gezien het belang van de gemeente Rotterdam als schuldeiser weegt haar weigering zwaarder dan de belangen van verzoekers en andere schuldeisers.
Daarom wordt het verzoek om de gemeente te bevelen in te stemmen met de schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.