Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers waarbij preferente schuldeisers 4,42% en concurrente schuldeisers 2,21% van hun vorderingen ontvangen tegen finale kwijting. Dertig van de vierendertig schuldeisers stemden in met het voorstel, maar vier schuldeisers, waaronder de gemeente Rotterdam, weigerden.
De gemeente Rotterdam beroept zich op artikel 60c Participatiewet en stelt dat zij niet kan meewerken aan een regeling tegen finale kwijting wegens niet-naleving van de inlichtingenplicht door verzoekster. De rechtbank overweegt dat artikel 287a Faillissementswet de rechtbank de bevoegdheid geeft een schuldeiser te bevelen in te stemmen met een schuldregeling na belangenafweging.
De rechtbank weegt het geringe belang van de vier schuldeisers af tegen het belang van verzoekster en de overige schuldeisers die wel instemmen. Gezien de medische situatie van verzoekster en het feit dat het voorstel het uiterste is wat zij kan bieden, oordeelt de rechtbank dat het verzoek toewijsbaar is. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat het akkoord een gunstiger resultaat oplevert voor schuldeisers.
De rechtbank beveelt de vier schuldeisers in te stemmen met de schuldregeling, veroordeelt hen in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het vonnis vervangt de vrijwillige instemming van schuldeisers.