ECLI:NL:RBROT:2021:9242

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 september 2021
Publicatiedatum
28 september 2021
Zaaknummer
FT EA 21/795 en FT EA 21/796
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 284 FwArt. 60c Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord ondanks weigering gemeente Rotterdam

Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om de gemeente Rotterdam te bevelen mee te werken aan een schuldregeling, nadat de gemeente weigerde in te stemmen met het aangeboden akkoord. De schuldregeling betrof een bedrag van circa €88.583, waarvan de gemeente een vordering van ongeveer €7.838 had, en het akkoord voorzag in een betaling van een klein percentage aan preferente en concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

De gemeente Rotterdam beriep zich op artikel 60c Participatiewet en haar weigering om mee te werken aan schuldregelingen voor vorderingen die niet te goeder trouw zijn ontstaan. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 287a Fw de rechtbank de bevoegdheid geeft om de gemeente te bevelen in te stemmen na belangenafweging. De rechtbank stelde vast dat de vordering van de gemeente slechts een klein deel van de totale schuldenlast uitmaakt en dat het akkoord door een deskundige partij was getoetst.

Verder werd vastgesteld dat verzoekster onder budgetbeheer staat, geen nieuwe schulden maakt, en dat er voldoende waarborgen zijn dat compensatie aan schuldeisers zal plaatsvinden indien verzoekster als gedupeerde kinderopvangtoeslag wordt erkend. De rechtbank concludeerde dat de belangen van verzoekster en de overige schuldeisers zwaarder wegen dan die van de gemeente Rotterdam en wees het verzoek toe. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de gemeente Rotterdam in te stemmen met de schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 14 september 2021
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 25 juni 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten Gemeente Rotterdam Serviceorganisatie, afdeling Werk & Inkomen (hierna: de gemeente Rotterdam), die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
De gemeente Rotterdam heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 7 september 2021 zijn telefonisch gehoord conform TARIC (de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbank vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis):
  • verzoekster;
  • mevrouw [naam persoon] , werkzaam bij [naam bank] (hierna: schuldhulpverlening).
De gemeente Rotterdam heeft in haar verweerschrift kenbaar gemaakt niet ter zitting te zullen verschijnen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zestien schuldeisers, waarvan twee preferente en veertien concurrente schuldeisers (met zeventien vorderingen). Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 88.583,17 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 6 januari 2021 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,58% aan de preferente schuldeisers en 1,79% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Ten tijde van het aanbod bedroeg de totale schuldenlast € 88.958,51.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.
De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster is tijdelijk ̶ van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021 ̶ volledig vrijgesteld van haar arbeidsverplichting door de uitkerende instantie. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat de vrijstelling is verlengd tot november 2021.
De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
De gemeente Rotterdam stemt als enige schuldeiser niet met de aangeboden schuldregeling in. Zij heeft een vordering van € 8.321,03 op verzoekster, welke 9,4% van de totale schuldenlast beloopt. Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat de vordering van de gemeente Rotterdam inmiddels € 7.837,58 bedraagt en 8,9% van de totale schuldenlast beloopt.
Ter zitting heeft verzoekster desgevraagd verklaard zich (nog) niet te hebben aangemeld als slachtoffer van de kinderopvangtoeslag affaire, hoewel er meerdere kinderopvangtoeslag schulden op de crediteurenlijst staan, voor een totaalbedrag van € 26.458,=. Verzoekster geeft aan dat zij niet weet of zij slachtoffer is. Haar kinderen hebben tot halverwege 2014 of begin 2015 op de opvang gezeten. Over de jaren 2014, 2015 en 2016 zijn toeslagen teruggevorderd.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het de verantwoordelijkheid van verzoekster zelf is om zich als slachtoffer van de kinderopvangtoeslagaffaire aan te melden bij de Belastingdienst. Omdat verzoekster onder budgetbeheer staat zal schuldhulpverlening op de hoogte blijven van de status van een eventueel verzoek bij de Belastingdienst om als belanghebbende te worden aangemerkt. Indien dat alsnog aan de orde is, zal schuldhulpverlening ervoor zorg dragen dat het dossier conform het Besluit van 28 mei 2021 (hierna: Besluit compensatie schuldentrajecten) [1] wordt afgewikkeld, zodat de schuldeisers ook zullen worden voldaan.
Voorts heeft schuldhulpverlening ter zitting verklaard dat verzoekster, sinds het schuldbemiddelingstraject is aangevangen, beschikt over een spaarsaldo van € 780,=. Daarnaast is er nog een extra bedrag gespaard van € 3.000,-. Desgevraagd heeft schuldhulpverlening verklaard dat het totale spaarsaldo van € 3.780,= ten goede van de gezamenlijke schuldeisers komt. Hierdoor stijgen de aangeboden percentages aan de preferente- en concurrente schuldeisers.

3..Het verweer

In haar verweerschrift heeft de gemeente Rotterdam te kennen gegeven dat zij bij vorderingen die na 1 januari 2013 zijn ontstaan, niet meewerkt aan de schuldregeling tegen finale kwijting voor zover die vorderingen niet te goeder trouw zijn ontstaan. Op deze vorderingen is artikel 60c Participatiewet van toepassing omdat verzoekster haar inlichtingenplicht niet volledig is nagekomen. De gemeente Rotterdam voert aan dat zij, gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 60c Pw, niet kan meewerken aan een schuldregeling tegen finale kwijting.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de gemeente Rotterdam bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de gemeente Rotterdam in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
Ten aanzien van hetgeen de gemeente Rotterdam heeft aangevoerd, namelijk dat zij op grond van artikel 60c Pw niet kan meewerken aan een minnelijke regeling tegen finale kwijting, is de rechtbank van oordeel dat dit onverlet laat dat de rechtbank haar op grond van artikel 287a Fw kan bevelen om met het voorstel in te stemmen na een weging van de belangen van de gemeente Rotterdam enerzijds en de overige schuldeisers en verzoekster anderzijds. Immers, dit artikel kent geen bijzondere positie toe aan bepaalde schuldeisers.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van de gemeente Rotterdam een gering aandeel vormt in de totale schuldenlast van 8,9%.
Alle overige schuldeisers zijn met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht.
Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk maar wel over een startkwalificatie en werkervaring. Verzoekster is op 1 september 2020 voor de periode van een jaar vrijgesteld van haar arbeidsverplichting door de uitkerende instantie, hetgeen recent is verlengd tot november 2021. Omdat is gekozen voor een prognoseakkoord kan het minnelijk traject positiever voor de schuldeisers uitpakken dan in het aanbod voorzien, indien de sollicitatieverplichting voor verzoekster gedurende het schuldbemiddelingstraject herleeft en verzoekster betaald werk vindt. Ter zitting is bevestigd dat ook het opgebouwde spaarsaldo aan de schuldeisers ten goede zal komen.
Op grond van het verhandelde ter zitting en de daar verkregen bevestigingen stelt de rechtbank vast dat er voldoende waarborgen zijn om ervoor te zorgen dat, indien verzoekster alsnog wordt aangemeld en aangemerkt als gedupeerde in de Kinderopvangtoeslagenaffaire, compensatie aan de schuldeisers zal plaatsvinden overeenkomstig het Besluit compensatie schuldentrajecten. De rechtbank vertrouwt erop dat schuldhulpverlening aandacht zal hebben voor de kwestie en – indien er aanwijzingen komen dat verzoekster mogelijk recht heeft op compensatie – schuldhulpverlening zich ook zal inspannen om de juiste stappen te zetten, zodat de schuldeisers ook de compensatie zullen ontvangen die hen toekomt.
Indien de schuld van verweerster niet door de Belastingdienst wordt voldaan, is met het voorliggende aanbod ook voldoende gewaarborgd dat verweerster een zo hoog mogelijke uitbetaling tegemoet kan zien.
Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoekster zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel ook een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van de gemeente Rotterdam, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om de gemeente Rotterdam te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
De gemeente Rotterdam zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- beveelt de gemeente Rotterdam om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt de gemeente Rotterdam in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 september 2021. [2]
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen

Voetnoten

1.Staatscourant,
2.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.