De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding tussen ex-echtgenoten over de verkoop van drie gezamenlijk bezit zijnde woningen na hun echtscheiding. De echtscheidingsbeschikking bepaalde dat de woningen verkocht moesten worden, waarbij één woning in onverhuurde staat moest worden geleverd.
De eiseres vorderde dat haar ex-echtgenoot medewerking zou verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de Binnenrotte in onverhuurde staat, conform de echtscheidingsbeschikking. De ex-echtgenoot stelde dat de woning verhuurd zou zijn aan een derde partij, hetgeen volgens hem de verkoop bemoeilijkte. Deze verhuur werd door de rechtbank echter niet als feitelijk vastgesteld, mede vanwege onvoldoende bewijs en de verklaringen van de vermeende huurster.
De rechtbank oordeelde dat de ex-echtgenoot dient mee te werken aan de verkoop in onverhuurde staat en stelde een dwangsom in voor het geval van niet-naleving. Tevens werd de vordering tegen de vermeende huurster afgewezen, omdat deze in strijd zou zijn met de vrijheid van meningsuiting en een declaratoir vonnis zou inhouden, wat in kort geding niet mogelijk is. Daarnaast werd het verzoek om een andere makelaar aan te stellen toegewezen, aangezien partijen hier overeenstemming over hadden bereikt.
De proceskosten werden deels gecompenseerd tussen de ex-echtgenoten, terwijl de kosten tussen eiseres en de vermeende huurster ieder voor eigen rekening kwamen.