Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 oktober 2021 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , te [vestigingsplaats verzoekster] , verzoekster, ( [naam verzoekster] )
De raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, verweerder, (KSA)(gemachtigde: [naam 1] ).
Procesverloop
Overwegingen
30 oktober 2017 en een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en [naam verzoekster] van 9 augustus 2017 op het standpunt dat voldoende aannemelijk is dat [naam verzoekster] over de jaren 2011 tot en met 2016 met aan opzet grenzende onachtzaamheid herhaaldelijk de Wet op de kansspelbelasting (Wet KSB) heeft overtreden door te weinig kansspelbelasting te voldoen. Geconstateerd is dat de registratie van de tellerstanden IN en UIT lange termijn van enkele speelautomaten niet heeft plaatsgevonden over de jaren 2011 tot en met 2015 en slechts gedeeltelijk in 2016. Verder heeft [naam bedrijf 1] over de jaren 2012 tot en met 2014 de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet Ozb) overtreden (de zogenoemde antecedenten). Vanwege deze feiten is er een naheffingsaanslag van €125.000 en een boete van €24.000 opgelegd. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat [naam verzoekster] ter zake van de in de overeenkomst geregelde onderwerpen uitdrukkelijk afstand doet van het recht op bezwaar en het recht op beroep bij de (belasting)rechter. De naheffingsaanslag en de (vergrijp)boete zijn hiermee onherroepelijk geworden, aldus de KSA. Wat betreft de omzetbelasting neemt de KSA in aanmerking dat uit een aangifte overzicht van de Belastingdienst blijkt dat een boete is opgelegd van €1.730,- over een belasting van €6.920,-. Dit bedrag komt overeen met de correctie omzetbelasting van [naam bedrijf 1] over de jaren 2012 tot en met 2014 zoals deze is opgenomen in het rapport boekenonderzoek van 19 januari 2016.
.Artikel 30h van de Wok luidt als volgt.
“Hiermee stopt de beoordeling echter niet. Immers, uit de meergenoemde CBb-uitspraak volgt dat bezien dient te worden of kan worden aangenomen dat [persoon A] . en [persoon B] , gelet op wat bekend is over door hen in het verleden gepleegde (strafbare) feiten en
ander gedrag, zich zullen gedragen op een wijze die, bezien in het licht van hun functies, als maatschappelijk aanvaardbaar wordt beschouwd. Verder heeft het CBb daarin overwogen dat misdrijven die in een ver verleden zijn gepleegd en zijn gevolgd door een lange(re) periode zonder strafbare feiten en veroordelingen eerder buiten beschouwing dienen te blijven. Dit betekent dat niet alleen gekeken moet worden naar de eenmaal in het verleden gemaakte en geregistreerde misstappen – waaraan op zichzelf bezien bij de beoordeling veel gewicht toekomt – maar dat er ook oog dient te zijn voor de feiten nadien tot aan de besluitvorming toe. Dit kan tevens afgeleid worden uit de bewoordingen van artikel 4 van Pro het Speelautomatenbesluit, waaruit volgt dat het erom gaat dat de betrokkene in enig opzicht van slecht levensgedrag ‘
is’.”
Beslissing
€ 1.496.