De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een kind geboren in 2010, vanwege ernstige spanningen tussen de ouders die het welzijn van het kind bedreigen. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar het kind woont bij de moeder. De Raad constateerde dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect had en dat de communicatie tussen de ouders ernstig tekortschiet, wat het kind psychische en lichamelijke klachten bezorgt.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de ouders niet in staat zijn om conflicten zelfstandig op te lossen en dat het kind klem zit tussen hen. De moeder verzette zich tegen de ondertoezichtstelling en gaf aan dat zij openstaat voor vrijwillige hulpverlening en dat de zorgregeling met de vader goed wordt nageleefd. De vader steunde het verzoek vanwege het uitblijven van verbetering.
De kinderrechter oordeelde dat het patroon van conflicten en wantrouwen tussen de ouders het kind ernstig in zijn ontwikkeling bedreigt en dat een jeugdbeschermer nodig is om regie te voeren over de hulpverlening. De ondertoezichtstelling wordt voor zes maanden opgelegd met een pro forma zitting gepland op 1 februari 2022 om de voortgang te evalueren en te bepalen of het traject kan worden voortgezet of overgedragen aan het vrijwillig kader.