ECLI:NL:RBROT:2021:9633
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet afgewezen wegens onvoldoende bewijs toerekening drugs
Verzoeker woonde in een woning die op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor zes maanden gesloten zou worden wegens handel in harddrugs. De burgemeester van Rotterdam had dit besluit genomen na een anonieme melding, politieonderzoek en vondst van 7,2 gram cocaïne nabij de woning. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De rechtbank oordeelde dat de indicatieve test van de aangetroffen substantie voldoende was om aan te nemen dat het cocaïne betrof en dat de hoeveelheid duidde op handel. Echter, de rechtbank vond onvoldoende concrete aanwijzingen dat de drugs aan verzoeker konden worden toegerekend. Zo ontbraken recente drugsoverlastmeldingen, was er geen drugs aangetroffen in de woning zelf, en was de gezamenlijke opgang ook toegankelijk voor een andere bewoner die mogelijk ook betrokken kon zijn.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de burgemeester onvoldoende hard bewijs had geleverd om de ingrijpende maatregel van woningsluiting te rechtvaardigen. Daarom werd het besluit geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning wordt geschorst wegens onvoldoende bewijs dat de drugs aan verzoeker kunnen worden toegerekend.