ECLI:NL:RBROT:2022:10061
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonvordering en transitievergoeding bij einde arbeidsovereenkomst zonder ontslagname werknemer
De zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil tussen werknemer en werkgever over de beëindiging van een arbeidsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende loonvorderingen.
Werknemer startte met een proefplaatsing en kreeg daarna een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Na een verschil van inzicht werd zij per 27 oktober 2021 vrijgesteld van werkzaamheden. De arbeidsovereenkomst liep tot 30 april 2022 en werd niet verlengd. Werknemer trad per 1 april 2022 in dienst bij een andere werkgever.
Werknemer vorderde onder meer loon over april 2022, vakantiebijslag, transitievergoeding en wettelijke verhoging. Werkgever stelde dat werknemer zelf had opgezegd en dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen, onder meer wegens overtreding nevenwerkzaamhedenbeding.
De kantonrechter stelde vast dat werknemer geen ondubbelzinnige opzegging had gedaan en dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigde op initiatief van werkgever. Er was onvoldoende bewijs voor ernstig verwijtbaar handelen. De loonvordering over april 2022 werd afgewezen vanwege de onaanvaardbare wanverhouding en het feit dat werknemer inkomsten had uit een andere baan. De transitievergoeding en vakantiebijslag werden toegewezen, met wettelijke rente en een gematigde wettelijke verhoging. Proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Arbeidsovereenkomst eindigde van rechtswege op initiatief werkgever; transitievergoeding en vakantiebijslag toegewezen, loon over april 2022 afgewezen.