Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet om een schuldeiser te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorzag in een gedeeltelijke betaling aan schuldeisers gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker, die een ZW-uitkering ontvangt. Elf schuldeisers stemden in, maar Beumer Advocaten, de grootste schuldeiser met een vordering van EUR 10.447,23, weigerde.
Beumer Advocaten stelde dat de schuld niet te goeder trouw was ontstaan, omdat verzoeker de bij de notaris geparkeerde gelden, die bedoeld waren voor betaling aan Beumer Advocaten, heeft gebruikt om gokschulden af te lossen. Verzoeker erkende dit ter zitting. De rechtbank overwoog dat het belang van Beumer Advocaten bij volledige betaling zwaar weegt, mede gezien het aandeel van 45% in de totale schuldenlast.
De rechtbank concludeerde dat de weigering van Beumer Advocaten niet onredelijk is en dat de belangen van deze schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker en de overige schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.