ECLI:NL:RBROT:2022:10129
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering Verklaring Omtrent het Gedrag
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de Minister voor Rechtsbescherming om zijn aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) af te wijzen. Het primaire besluit dateert van 19 april 2022 en het bezwaar is op 10 augustus 2022 ongegrond verklaard. Verzoeker stelde dat de spoedeisendheid aanwezig was vanwege een inschrijvingsdatum voor een beroepsopleiding en eerdere jurisprudentie.
De voorzieningenrechter overwoog dat een eerdere aanvraag om voorlopige voorziening op 14 oktober 2022 al was afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. De standpunten van de verweerder waren ongewijzigd gebleven en er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding gaven het eerdere oordeel te herzien.
Verzoeker had geen bewijs geleverd van een concreet arbeidscontract dat door het ontbreken van een VOG niet kon worden benut. De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van verzoeker om meer inkomen te genereren als advocaat begrijpelijk is, maar dit vormt geen spoedeisend belang in de zin van de wet.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.