Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen wegens een betalingsachterstand op de huur. Verzoeker was betrokken bij een schuldhulpverleningstraject dat in januari 2022 werd stopgezet vanwege niet-naleving van afspraken. Inmiddels is een verzoek tot beschermingsbewind ingediend, dat nog niet is uitgesproken, maar wel spoedig wordt verwacht.
Verweerster wenste de ontruiming voort te zetten vanwege de betalingsachterstand en meldingen van overlast en woonfraude. De rechtbank oordeelde echter dat alleen de betalingsachterstand als grondslag voor ontruiming geldt, niet de overlast, aangezien dit niet in het ontruimingsvonnis is opgenomen.
De rechtbank stelde vast dat sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoeker, namelijk het kunnen voortzetten van het schuldhulpverleningstraject en het blijven wonen in de woning, zwaarder weegt dan het belang van verweerster bij uitvoering van het vonnis. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.