Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om twee schuldeisers te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorzag in een betaling van 29,05% van de totale schuldenlast, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoekster, die inmiddels een fulltime baan heeft.
Drie van de vijf schuldeisers stemden in met het akkoord, terwijl twee schuldeisers, met een gezamenlijk aandeel van 51,8% in de schuldenlast, weigerden. De rechtbank beoordeelde of deze weigering redelijk was, waarbij het belang van de weigeraars werd afgewogen tegen dat van verzoekster en de overige schuldeisers.
De rechtbank concludeerde dat het voorstel zorgvuldig was getoetst door een onafhankelijke partij, goed gedocumenteerd en het uiterste was wat verzoekster kon bieden. Gezien de stabiele situatie van verzoekster en de instemming van de meerderheid van de schuldeisers, woog het belang van verzoekster en de instemmende schuldeisers zwaarder dan dat van de weigeraars.
Daarom werd het dwangakkoord toegewezen, de weigeraars werden veroordeeld in de proceskosten en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.