Verzoekers dienden een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om twee schuldeisers te bevelen in te stemmen met een door hen aangeboden schuldregeling. Het voorstel voorzag in een volledige betaling aan de preferente schuldeiser en een gedeeltelijke betaling aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoekers die beiden parttime werken en zorg dragen voor een pleegkind met medische beperkingen.
Zestien van de achttien schuldeisers stemden in met het akkoord, maar twee schuldeisers weigerden. De rechtbank oordeelde dat het voorstel zorgvuldig was opgesteld, getoetst door een onafhankelijke partij en het maximale was wat verzoekers redelijkerwijs konden bieden. De persoonlijke omstandigheden en het beschermingsbewind werden meegewogen.
De rechtbank vond dat de belangen van verzoekers en de meerderheid van schuldeisers zwaarder wogen dan die van de weigeraars, mede omdat de schuldsaneringsregeling minder gunstig zou zijn voor schuldeisers door bijkomende kosten. Daarom werd het dwangakkoord toegewezen en het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen.
De weigeraars werden veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden begroot omdat er geen griffierecht verschuldigd was en verzoekers geen advocaat hadden. Het vonnis trad in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.