ECLI:NL:RBROT:2022:1043
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen latere ingangsdatum bijstandsuitkering wegens te lang verstreken tijd na melding
Eiser verbleef tot 30 april 2020 in detentie en heeft zich op 23 maart 2021 gemeld bij de gemeente Rotterdam voor een bijstandsuitkering, met een verzoek om terugwerkende kracht tot 30 april 2020. De gemeente kende de uitkering toe vanaf de datum van melding, 23 maart 2021, en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser stelde dat hij al vanaf 30 april 2020 bijstandsbehoevend was en dat eerdere contacten met de gemeente en een aanvraag bij de gemeente Zaanstad een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.
De rechtbank onderzocht de contacten tussen eiser en de gemeente, waaronder gesprekken met het Wijkteam en een aanvraag bij de gemeente Zaanstad, die werd afgewezen wegens verblijf buiten Zaanstad. Hoewel eiser contact had met de gemeente in de zomer van 2020, werd vastgesteld dat er daarna een te lange periode zonder contact was tot de melding in maart 2021. Volgens vaste rechtspraak vervalt het recht op terugwerkende kracht als de betrokkene niet spoedig na melding een aanvraag indient en hem dat te verwijten valt.
De rechtbank concludeert dat eiser verwijtbaar niet tijdig een aanvraag heeft ingediend na de melding in de zomer van 2020 en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Ook het feit dat de gemeente Zaanstad niet doorverwees en mogelijke verkeerde voorlichting door het ministerie leiden niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van bijstand vanaf 23 maart 2021 wordt ongegrond verklaard.