Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 19 juli 2022. De rechtbank beoordeelt of sprake is van een bedreigende situatie en weegt de belangen van verzoeker en verweerster tegen elkaar af.
De rechtbank stelt vast dat de ontruiming gepland stond en dat er dus sprake is van een bedreigende situatie. Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de huurbetalingen zal voldoen, mede door een stabiel inkomen uit zijn bedrijf en een netto inkomen van €2.750 per maand, ruim voldoende voor de huur van €646. De huur van september en oktober 2022 is reeds betaald.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in de woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster die het vonnis wil uitvoeren. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.