Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een gedwongen schuldregeling af te dwingen tegen de Belastingdienst, die weigert in te stemmen met het aangeboden akkoord. Verzoeker had een schuld van ruim €101.000,-, waarvan €78.477,34 aan de Belastingdienst. De regeling voorzag in een uitkering van 2,52% aan preferente en 1,26% aan concurrente schuldeisers.
De Belastingdienst stelde dat verzoeker kwade trouw heeft gehandeld bij het ontstaan van de schuld, onder meer door het niet doen van juiste belastingaangiften en het doen van nihil-aangiften, ondanks kennis van zijn verplichtingen. Verzoeker was ondernemer geweest met verschillende rechtsvormen en had zijn administratie uit handen gegeven, maar bleef verantwoordelijk.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst in redelijkheid tot weigering van instemming kon komen vanwege het grote aandeel van de vordering (77,6%) en de kwade trouw van verzoeker. Het verzoek om de Belastingdienst te bevelen in te stemmen met de schuldregeling werd afgewezen. Een afzonderlijke beslissing over de schuldsaneringsregeling volgt.