ECLI:NL:RBROT:2022:10616

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 oktober 2022
Publicatiedatum
6 december 2022
Zaaknummer
22/742
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 3 FwArt. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering Staatsblad 2013, 308
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling ondanks belastingdienstschuld wegens stabilisatie situatie

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling omdat hij niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. De rechtbank constateert dat verzoeker niet langer een onderneming drijft en fulltime in loondienst werkt, met ondersteuning van een beschermingsbewindvoerder.

Hoewel verzoeker schuld heeft aan de Belastingdienst wegens niet gedane aangiften en te weinig afgedragen bedragen, wat normaal gesproken tot afwijzing zou leiden, past de rechtbank de hardheidsclausule toe. Verzoeker heeft zijn situatie gestabiliseerd en maakt geen nieuwe schulden.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker te goeder trouw is in de zin van de schuldsaneringsregeling en voldoende aannemelijk is dat hij zijn verplichtingen zal nakomen. De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en kent een voorschot toe aan de bewindvoerder.

De procedure is gegrond verklaard en de schuldsaneringsregeling wordt toegepast als hoofdprocedure omdat het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen ondanks schuld aan Belastingdienst vanwege stabilisatie en bewindvoering.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 26 oktober 2022
[verzoeker],
[adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 6 oktober 2022.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..De beoordeling

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Voorts dient voldoende aannemelijk te zijn dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
In het bijzonder heeft de rechtbank gekeken naar de schuld van verzoeker aan de Belastingdienst. Uit het overzicht van de Belastingdienst is gebleken dat verzoeker voor zijn eenmanszaak, V.O.F. en B.V. geen aangifte heeft gedaan en te weinig heeft afgedragen. Deze schuld is naar haar aard niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten en staat in beginsel aan toelating in de weg.
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw, wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. De schuld van verzoeker aan de Belastingdienst vloeit voort uit zijn onderneming, welke onderneming inmiddels is gestaakt. Verzoeker heeft nu inzicht in zijn financiële situatie en maakt geen nieuwe schulden. Daarnaast krijgt verzoeker hulp van zijn beschermingsbewindvoerder. Inmiddels is verzoeker 40 uur per week in loondienst. Verzoeker erkent zijn verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de schuld en heeft laten zien dat zijn situatie voldoende is gestabiliseerd. Door bovenstaande is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

3..De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
[naam eenmanszaak]
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder S.A.M. Koppelman,
gevestigd te Postbus 304,
3400 AH IJsselstein;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van
mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2022.