De rechtbank Rotterdam behandelde op 9 november 2022 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van een gewelddadige overval op een winkel in Rotterdam op 9 december 2019. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 140 voorwaardelijk, wegens diefstal met geweld.
De officier van justitie baseerde zijn betoog op het feit dat het signalement van verdachte overeenkwam, zijn auto en telefoon op de plaats delict waren aangetroffen, en dat de telefoon rond het tijdstip van de overval contact had met een nummer dat ook door een medewerker van de winkel werd gebeld. Verdachte stelde dat hij zijn auto die ochtend had uitgeleend, maar dit werd door het OM als ongeloofwaardig beschouwd.
De rechtbank oordeelde echter dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. Er was geen bewijs dat verdachte fysiek op de plaats delict aanwezig was, het signalement kwam niet overeen en verdachte werd niet herkend bij een fotoconfrontatie. De aanwezigheid van de auto en telefoon vormde onvoldoende bewijs voor betrokkenheid.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op.