Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:10698

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 november 2022
Publicatiedatum
7 december 2022
Zaaknummer
FT EA 22/1012 en FT EA 22/1013
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning voor zes maanden

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat de ontruiming aankondigt.

Verzoekster werkt parttime met een vast inkomen en ontvangt toeslagen, waarmee zij de huur kan betalen. Zij heeft betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de huur voor oktober en november 2022 is voldaan. Tevens is er sprake van budgetbeheer en een lopend schuldhulpverleningstraject waarbij de meeste schuldeisers hebben ingestemd met een betalingsvoorstel.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die haar woning wil behouden en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster die het vonnis wil uitvoeren. De voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen, waaronder tijdige betaling van de huur uiterlijk op de tiende van de maand als het loon niet voor de eerste wordt betaald.

Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject nog loopt. De voorziening geldt voor zes maanden en wordt verlengd zolang aan de voorwaarden wordt voldaan.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schorst de ontruiming van de huurwoning onder voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer01] – [nummer02]
uitspraakdatum: 30 november 2022
[verzoekster01],
wonende te [adres01] ,
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 15 november 2022, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 15 november 2022 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 23 november 2022.
Ter zitting van 23 november 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • [naam01] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Sore Group / 11.10 ZVO C.V., gevestigd te Amsterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2..Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 oktober 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Schuldhulpverlening heeft verklaard dat de (reguliere) schuldbemiddeling van 36 maanden, in combinatie met budgetbeheer, op 21 september 2022 is gestart en dat inmiddels 21 van de 24 schuldeisers hebben ingestemd met het betalingsvoorstel.
Verzoekster werkt parttime (gemiddeld 24 uur per week) en heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verzoekster verdient € 1.072,62 per maand en ontvangt daarnaast ook toeslagen van de Belastingdienst (onder andere zorg- en huurtoeslag). De huur per juli 2022 bedraagt € 690,53. Verzoekster heeft aangetoond dat de huur voor de maanden oktober 2022 en november 2022 is voldaan. Verzoekster heeft hiertoe betalingsbewijzen overgelegd. Verzoekster heeft voorts door middel van een budgetplan (opgesteld door haar budgetbeheerder) aangetoond dat zij maandelijks voldoende inkomsten heeft om haar vaste lasten te kunnen voldoen. Er is thans sprake van een stabiele financiële situatie, mede gezien het feit dat haar budgetbeheerder voor betaling van de vaste lasten zorg zal dragen.
Ter zitting is gebleken dat de werkgever van verzoekster het loon (nog) niet voor de eerste van de maand betaalt, waardoor verzoekster dan wel haar budgetbeheerder de huur niet voor de eerste van de maand kan betalen. Uit de overgelegde betaalbewijzen blijkt dat verzoekster de huur in ieder geval wel voor de tiende van de maand kan betalen. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij al aan haar werkgever heeft gevraagd of hij voortaan het loon voor de eerste van de maand kan betalen.

3..Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4..De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 oktober 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 2 november 2022 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 22 november 2022 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden zodat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 21 oktober 2022 ten uitvoer kan leggen en op zoek kan gaan naar een nieuwe huurder.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft een inkomen van
€ 1.072,62 en ontvangt daarnaast toeslagen van de Belastingdienst. Hiermee dient zij de huur – zijnde een bedrag van € 690,53 – te kunnen betalen. Verzoekster heeft thans een budgetbeheerder en haar budgetbeheerder zorgt vanaf heden voor de betaling van haar
vaste lasten. De huur voor de maand oktober 2022 en november 2022 is reeds voldaan.
Voorts heeft verzoekster schuldhulpverlening, die al de nodige werkzaamheden voor het schuldhulpverleningstraject heeft verricht. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank stelt verder vast dat zolang de werkgever van verzoekster het loon niet voor de eerste van de maand betaalt, verzoekster dan wel haar budgetbeheerder niet in staat is de huur voor de eerste van de maand te betalen. In dat geval dient de huur uiterlijk voor de tiende van de maand te zijn betaald.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 21 oktober 2022 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres01] te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur
van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode volledig en tijdig worden voldaan. Zolang haar werkgever het loon niet voor de eerste van de maand betaalt, dient verzoekster de huur in ieder geval voor de tiende van de maand te betalen;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 november 2022.