Eiser was sinds november 2020 lid van een volkstuinvereniging en kocht een tuinhuisje van de vereniging. De vereniging zegde het lidmaatschap op per 31 december 2021 vanwege vermeende overtredingen van de regels door eiser en zijn partner, waaronder fietsen op het middenpad, parkeren van huurscooters, betreden van tuinen van anderen, permanent wonen in het tuinhuisje en geluidsoverlast.
Eiser betwistte de overtredingen en stelde dat de opzegging in strijd was met de statuten en de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank oordeelde dat slechts het fietsen en gebruik van huurscooters door de ex-partner van eiser voldoende was vastgesteld, maar dat de vereniging onvoldoende had onderbouwd dat dit gedrag de opzegging rechtvaardigde. Andere verwijten waren onvoldoende bewezen of niet als opzeggingsgrond aangevoerd.
De rechtbank stelde vast dat eiser verantwoordelijk was voor het gedrag van zijn ex-partner, maar dat niet duidelijk was vastgelegd wie en wanneer had gewaarschuwd en wat de consequenties waren. Gezien de omstandigheden en het ontbreken van een duidelijk waarschuwingstraject was de opzegging niet redelijk. Daarom werd het besluit tot opzegging vernietigd.
Verder verklaarde de rechtbank dat de vereniging het tuinhuisje niet zonder toestemming van eiser mag verkopen en dat eiser geen gebruikersvergoeding of contributie verschuldigd is over de periode dat hij het tuinhuisje niet kon gebruiken. De vorderingen van de vereniging in reconventie werden afgewezen en de vereniging werd veroordeeld in de proceskosten.