ECLI:NL:RBROT:2022:10998
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzet tegen buiten-zittinguitspraak over parkeerabonnement en bestuursrechtelijke kwalificatie
Opposante stelde dat de gemeente Rotterdam bij het intrekken van haar parkeerabonnement als bestuursorgaan handelde en dat sprake was van een bestuursrechtelijk besluit, waardoor bezwaar en beroep mogelijk waren. De rechtbank had eerder de beroepen ongegrond verklaard omdat geen sprake was van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In het verzet betoogde opposante dat het intrekken van de parkeervoorziening een bestuursrechtelijke sanctie is en dat de gemeente publiekrechtelijke bevoegdheid uitoefende, waardoor de procedurele waarborgen van bestuursrechtelijke besluiten van toepassing zouden moeten zijn. Ook werden gronden aangevoerd over onbevoegdheid, schending van het gelijkheidsbeginsel, eigendomsrecht, en het verbod op willekeur.
De verzetrechter oordeelde dat de gemeente bij het beëindigen van het parkeerabonnement als rechtspersoon handelde en niet als bestuursorgaan. De brieven waarin de beëindiging werd bevestigd zijn geen bestuursrechtelijke besluiten. Er was geen aanleiding om de eerdere buiten-zittinguitspraak te herzien. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de buiten-zittinguitspraak wordt ongegrond verklaard en de uitspraak blijft in stand.