Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning zou opschorten. Zij kon haar huur niet meer betalen vanwege baanverlies en een te lage uitkering, maar ontvangt inmiddels een Participatiewet-uitkering en heeft een aanvraag voor versneld beschermingsbewind gedaan.
De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie, omdat de ontruiming gepland stond op 20 januari 2022. De belangenafweging tussen verzoekster en verweerster leidde tot de conclusie dat het belang van verzoekster, die met haar minderjarige kind in de woning wil blijven en schuldhulpverlening volgt, zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen betaald worden en stelde als voorwaarde dat de huurbetalingen tijdig moeten blijven plaatsvinden. Daarnaast verklaarde de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. De voorlopige voorziening geldt voor zes maanden en verlengt de huurovereenkomst voor die periode.