ECLI:NL:RBROT:2022:11039
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens niet-wettig en overtuigend bewezen tenlastelegging ondanks forse termijnoverschrijding
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd vervolgd voor het onttrekken van goederen aan de boedel van een failliet verklaard bedrijf in de periode 2012-2015.
De verdediging stelde dat de vervolging niet ontvankelijk moest worden verklaard wegens een forse overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank erkende de overschrijding maar oordeelde dat dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, omdat geen bijzondere omstandigheden waren gesteld die dit rechtvaardigen.
De officier van justitie vorderde vrijspraak, en de rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. De verdachte werd daarom vrijgesproken van alle tenlasteleggingen. De overige verweren werden niet inhoudelijk behandeld vanwege deze uitkomst.
De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 14 december 2022, waarbij de rechters B.E. Dijkers (voorzitter), W.M. Stolk en H.J. de Kraker betrokken waren.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs ondanks forse overschrijding van de redelijke termijn.