ECLI:NL:RBROT:2022:11040
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ondanks forse overschrijding redelijke termijn
De rechtbank Rotterdam behandelde op 14 december 2022 een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van het onttrekken van goederen aan de boedel van een failliet verklaard bedrijf in de periode 2012-2015.
De verdediging stelde dat sprake was van een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat sinds het horen van verdachte in 2017 ruim vijf jaar waren verstreken. De rechtbank erkende de forse termijnoverschrijding, maar oordeelde dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leidde omdat geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld.
De officier van justitie vorderde vrijspraak, en de rechtbank volgde dit standpunt. Het ten laste gelegde feit was niet wettig en overtuigend bewezen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij zonder nadere motivering. De overige verweren konden buiten beschouwing blijven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs ondanks forse overschrijding van de redelijke termijn.