Op 17 januari 2020 vond een verkeersongeval plaats waarbij eiser in zijn auto werd aangereden door een verzekerde van Allianz. Allianz erkende aansprakelijkheid en vergoedde tot circa €112.000 aan kosten. Eiser werkte als opperman in de bouw en ondervond na het ongeval diverse klachten zoals pijn en concentratieproblemen, waardoor hij zijn werkzaamheden niet kon voortzetten.
Diverse medische onderzoeken, waaronder een neurologische expertise, werden uitgevoerd. De neuroloog stelde vast dat er geen neurologisch substraat was voor de klachten, waardoor beperkingen en blijvende invaliditeit niet objectief konden worden vastgesteld. De impact van het ongeval bleek gering, wat de vraag opriep of de klachten volledig aan het ongeval konden worden toegeschreven.
Eiser vorderde in kort geding €60.000, waarvan €45.000 als bevoorschotting, maar de rechtbank oordeelde dat de vordering onvoldoende aannemelijk was. Er was onduidelijkheid over het causaal verband en de aard van de beperkingen. Ook ontbrak een spoedeisend belang en was onvoldoende inzicht in de financiële situatie van eiser.
De rechtbank wees de vordering af en veroordeelde eiser in de proceskosten. De verzekeraar werd niet verplicht tot verdere betaling, mede vanwege het ontbreken van een duidelijk medisch onderbouwd verband tussen het ongeval en de huidige klachten.