ECLI:NL:RBROT:2022:11103

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 december 2022
Publicatiedatum
20 december 2022
Zaaknummer
648841 / HA RK 22-1246
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in tweede wrakingsverzoek wegens misbruik van recht

Verzoeker diende een tweede wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij een civiele zaak over de verlenging van een ondertoezichtstelling van zijn zoon. Hij stelde dat de rechter partijdig was omdat deze een rapport van de Stichting Jeugdbescherming west volgde zonder vragen te stellen over vermeende onjuistheden.

De rechtbank oordeelde dat een wrakingsverzoek alleen ontvankelijk is als nieuwe feiten worden aangevoerd die pas na het eerste verzoek bekend werden. Verzoeker had deze gronden al bij het eerste verzoek kunnen aanvoeren, waardoor het tweede verzoek geen nieuwe feiten bevatte en niet-ontvankelijk werd verklaard.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat verzoeker het wrakingsmiddel misbruikte door het in te zetten om een bepaald oordeel over het rapport af te dwingen. Daarom werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam op 12 december 2022 en is niet vatbaar voor beroep.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn tweede wrakingsverzoek en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/648841 / HA RK 22-1246
Beslissing van 12 december 2022
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[naam verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. J.S. van den Berge,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met nummer C/10/644819 / JE RK 22-2193. Die zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming west (SJw) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van verzoekers zoon [naam zoon] . Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
  • het proces-verbaal van 2 december 2022 waarin het mondeling wrakingsverzoek en de gronden daarvan zijn vermeld;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 8 december 2022.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. De rechter had voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De rechter was voornemens om een beslissing te nemen op grond van een rapport van SJw dat veel onjuistheden en leugens bevat. De rechter heeft aan verzoeker geen vragen gesteld over deze onjuistheden en leugens. De rechter volgt zonder meer het standpunt van SJw. Daaruit leidt verzoeker af dat de rechter partijdig is.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De wet schrijft voor dat alle omstandigheden tegelijk worden aangevoerd om zo onnodige vertraging te voorkomen. Nieuwe omstandigheden worden alleen in de beoordeling betrokken als deze pas na indiening van het verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling op 18 november 2022 waarop verzoeker de rechter heeft gewraakt, was het hem al bekend dat het rapport van SJw onderdeel uitmaakte van het procesdossier waarover de rechter beschikte en op basis waarvan zij uitspraak zou doen. Voor zover dit voor verzoeker eveneens aanleiding was om de rechter te wraken, had verzoeker dat ten grondslag moeten leggen aan zijn eerste wrakingsverzoek. Verzoeker heeft dit echter pas aan zijn tweede wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.
3.3.
Omdat de door verzoeker aangevoerde nadere grond hem al vóór indiening van het tweede wrakingsverzoek bekend was, wordt deze later aangevoerde grond niet in de beoordeling betrokken. Dit betekent dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waarop een wrakingsverzoek kan worden gebaseerd. Verzoeker zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.
3.4.
Verzoeker heeft in deze procedure eerder een wrakingsverzoek gedaan dat niet is gehonoreerd. Naar het oordeel van de rechtbank gebruikt verzoeker het middel van wraking in deze zaak voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven, namelijk het afdwingen van een bepaald oordeel over een in zijn ogen onwelgevallig rapport. Daarmee is sprake van misbruik. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;
4.2.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door de mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. E.I. Mentink en mr. drs. J. van den Bos, rechters, in tegenwoordigheid van de mr. P. Blijleven, griffier en in openbaar uitgesproken op 12 december 2022.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.