Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het verzoekschrift van [persoon A] , dat op 14 september 2022 ter griffie is ontvangen;
- de vijf mappen met producties van [persoon A] met:
- mappen 1 en 2: producties A. t/m I. met subproducties;
- map 3: producties A. t/m J.;
- mappen 4 en 5: producties A. t/m V.;
- het verweerschrift tevens houdende tegenverzoek van [bedrijf B] ;
- de 30 producties van [bedrijf B] ;
- de mondelinge behandeling op 1 november 2022;
- de pleitnota van [persoon A] ;
- de pleitnota van [bedrijf B] .
2.De feiten
- inkoop contracten (boven X)
- verkoop contracten (boven X)
- leaseovereenkomsten
- onderhoudscontracten
- leningen
- etc.
3.Het verzoek van [persoon A] en de stellingen van partijen
4.Het zelfstandig tegenverzoek van [bedrijf B] en de stellingen van partijen
€ 146.239,63.
5.De beoordeling van het verzoek van [persoon A]
- de aanleiding van het onderzoek kwestieus is;
- de onderzoeker niet onafhankelijk is;
- hoor en wederhoor zijn geschonden;
- de privacy van [persoon A] in de periode vanaf mei 2022 meermaals is geschonden.
Salarisverhogingen
Vakantie en vakantie-uren
E. Schets aan [persoon A] van 21 april 2022 (map 3, tabblad I, bijlage 12) wordt [persoon A] verzocht zijn genoten vakantie-uren alsnog in te voeren. Verder is gebleken dat [persoon A] zijn vakantieregistratie op 5 juli 2022 nog heeft aangevuld met 40 uur vakantie, zowel in augustus 2021 als februari 2021 (productie 12 van [bedrijf B] ). Daarmee staat voldoende vast dat [persoon A] het niet zo nauw nam met de registratie van zijn vakantie-uren. Ook op dit punt heeft [persoon D] c.q. [bedrijf B] echter nagelaten om hem daarop te wijzen, anders dan één (neutraal geformuleerde) herinnering.
ondeugdelijke boekhouding en privé-uitgaven ten laste van [bedrijf B]
Begin mei 2022 heeft een medewerker van [bedrijf B] aan [persoon D] doorgegeven dat er zaken niet klopten in de administratie. Daarop heeft [persoon D] opdracht gegeven aan [persoon E] om dat nader te onderzoeken. Dat onderzoek heeft halverwege mei 2022 plaatsgevonden. Eind mei 2022 is [persoon A] uitgenodigd voor de AvA waarop het ontslagvoornemen op de agenda was geplaatst. Op verzoek van [persoon A] is de AvA uitgesteld. Vervolgens is aan hem op de AvA van 13 juli 2022 ontslag op staande voet verleend. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de onverwijldheidseis. Dat [bedrijf B] mogelijk al eerder bekend had kunnen zijn met deze handelwijze van [persoon A] is naar het oordeel van de rechtbank verder niet van belang. In dat verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 april 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB1347,
Wennekes Lederwaren).
Inzet van broer binnen de vennootschap
Stichting Zuyd Hogeschool).
€ 7.998,00(2 punten × tarief € 3.999,00)
6.De beoordeling van het zelfstandig tegenverzoek van [bedrijf B]
(1 punt op basis van het tarief van € 1.770,00).
7.De beslissing
19 december 2022.