Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om een gedwongen schuldregeling af te dwingen tegen twee schuldeisers die niet instemden met het aangeboden akkoord. Het akkoord voorzag in een betaling van een klein percentage van de totale schuld, gebaseerd op de afloscapaciteit vanuit een Participatiewet-uitkering.
De rechtbank oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verzoeker langdurig arbeidsongeschikt is. De laatste medische beoordeling dateert van januari 2021 met een gunstige prognose en er zijn geen recente medische stukken overgelegd. Ook is niet vastgesteld dat verzoeker niet in staat is om minimaal 36 uur per week te werken.
Gezien het aanzienlijke aandeel van de weigeraars in de totale schuld (40%) en het ontbreken van bewijs dat het aanbod het maximaal haalbare is, weegt het belang van de schuldeisers zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt daarom afgewezen. De rechtbank zal afzonderlijk beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.