In deze civiele procedure verzocht een rechter zich te mogen verschonen vanwege een mogelijke schijn van partijdigheid. De reden was dat verweerster in het verleden in dezelfde straat als de rechter had gewoond en daardoor mogelijk de voorkeur gaf aan een andere rechter.
De rechtbank oordeelde dat verschoning slechts kan plaatsvinden bij zwaarwegende aanwijzingen voor subjectieve vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De omstandigheden boden geen aanwijzing dat de rechter subjectief niet onpartijdig was.
Ook was er geen objectief gerechtvaardigde vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou lijden. Het feit dat verweerster de zaak liever door een andere rechter behandeld zou zien, is onvoldoende om het verzoek tot verschoning toe te wijzen.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af en blijft de rechter belast met de behandeling van de zaak tussen Stichting Albert Schweitzer Ziekenhuis en verweerster.