De rechtbank Rotterdam heeft op 16 november 2022 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de veroordeelde was veroordeeld voor het kweken van hennep in de periode van 1 september 2020 tot en met 3 januari 2021. De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel had verkregen door middel van de opbrengsten van deze hennepkwekerij.
De officier van justitie had een vordering ingediend tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, begroot op 7.000 euro. De raadsman van de veroordeelde voerde aan dat dit bedrag gedeeld moest worden met een derde en dat een bedrag van 2.580,55 euro aan kosten betaald aan een bedrijf in mindering moest worden gebracht.
De rechtbank baseerde haar schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de verklaring van de veroordeelde tijdens het politieverhoor, waarin hij aangaf dat de eerste oogst een opbrengst van ongeveer 7.000 euro had opgeleverd, inclusief kosten. Na aftrek van de genoemde kosten stelde de rechtbank het voordeel vast op 4.400 euro.
De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de staat te betalen. Hierbij werden ook zijn persoonlijke omstandigheden in aanmerking genomen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.