Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- [naam verzoeker], verzoeker;
- de heer mr. P.A. Loeff, betrokken schuldhulpverlener en advocaat verzoeker;
- de heer mr. P.A. Visser, namens verweerster.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro gevraagd om het conservatoir derdenbeslag dat verweerster onder zijn werkgever heeft gelegd, te schorsen. Het beslag betreft loon en een transitievergoeding en frustreert het minnelijk schuldhulpverleningstraject dat verzoeker is gestart.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de voorziening, omdat hij geen inkomen heeft sinds de beëindiging van zijn arbeidsrelatie en de beslagvrije voet niet voldoende is om vaste lasten te voldoen. Zonder de voorziening dreigt het minnelijk traject te mislukken en ontstaan nieuwe schulden, wat ook nadelig is voor de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp).
De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van verzoeker zwaarder weegt dan dat van verweerster, die zich op haar vordering wil verhalen. De rechtbank bepaalt dat de werkgever het loon en de transitievergoeding moet uitbetalen aan verzoeker zonder inhouding wegens beslag. De voorziening wordt toegekend voor drie maanden, een langere termijn dan het uitgangspunt van één maand, omdat verzoeker meer tijd nodig heeft om het wsnp-verzoek te completeren.
Verweerster wordt veroordeeld in de proceskosten. De beschikking geldt tot intrekking of kracht van gewijsde van het wsnp-verzoek of na drie maanden. De voortgezette behandeling van het wsnp-verzoek is gepland op 13 februari 2023.
Uitkomst: De rechtbank schorst het conservatoir derdenbeslag en beveelt uitbetaling van loon en transitievergoeding voor drie maanden.