ECLI:NL:RBROT:2022:11925
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen toekenning WW-uitkering per einde opzegtermijn
Eiseres was in dienst als zorgverlener en heeft met haar werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij het dienstverband met wederzijds goedvinden per 1 september 2021 werd beëindigd. Verweerder kende eiseres een WW-uitkering toe met ingang van 1 november 2021, het einde van de opzegtermijn van twee maanden die voor haar geldt.
Eiseres maakte bezwaar tegen de toekenning vanaf die datum en stelde dat zij gedwongen was akkoord te gaan met de beëindiging vanwege het wegvallen van het pgb-budget van de werkgever, waardoor zij eerder recht op uitkering zou moeten hebben. Zij voerde aan dat het besluit in strijd was met het evenredigheids-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de opzegtermijn van twee maanden correct is toegepast en dat het feit dat het pgb-budget was beëindigd geen reden is om de uitkering eerder toe te kennen. Er was geen strijd met de genoemde bestuursrechtelijke beginselen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering is terecht toegekend met ingang van 1 november 2021.