ECLI:NL:RBROT:2022:11926

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 november 2022
Publicatiedatum
8 februari 2023
Zaaknummer
C/10/646646 / JE RK 22-2450
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige

De kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam behandelde op 25 november 2022 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft in een netwerkpleeggezin sinds een spoedplaatsing in augustus 2022 vanwege een verwarde toestand van de moeder.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en werkt positief mee aan hulpverlening. Er is sprake van een positieve ontwikkeling met begeleide bezoeken en samenwerking met hulpinstanties. De Raad verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden en machtiging tot uithuisplaatsing voor vier maanden, met het oog op een zorgvuldige terugplaatsing en het voorkomen van crisissituaties.

De kinderrechter oordeelt dat voldaan is aan de wettelijke criteria uit het Burgerlijk Wetboek en acht de ondertoezichtstelling en machtiging noodzakelijk in het belang van de minderjarige. Er wordt toegewerkt naar thuisplaatsing, waarbij de betrokkenheid van de jeugdbescherming essentieel blijft voor passende hulpverlening en toezicht.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld via de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Uitkomst: De kinderrechter stelt het kind onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing voor respectievelijk twaalf en vier maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Jeugdrecht
Zaaknummer: C/10/646646 / JE RK 22-2450
Datum uitspraak: 25 november 2022
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
betreffende

[naam kind01] , geboren op [geboortedatum01] 2022 te [geboorteplaats01] ,

hierna te noemen: [naam kind01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam01] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats01] ,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan: [naam02] , de pleegmoeder.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van
25 oktober 2022, ingekomen bij de griffie op 25 oktober 2022.
Op 25 november 2022 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- de moeder;
- [naam03] namens de Raad;
- [naam04] en [naam05] namens de GI;
- de pleegmoeder.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind01] wordt uitgeoefend door de moeder.
[naam kind01] verblijft in een netwerkpleeggezin.
Bij beschikking van 31 augustus 2022 is [naam kind01] voorlopig onder toezicht gesteld tot
30 november 2022.
De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken. Deze maatregel is bij beschikking van 8 september 2022 verlengd voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

Het verzoek

De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [naam kind01] voor de duur van twaalf maanden.
Tevens wordt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van vier maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd als volgt toegelicht. Sinds de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoed uithuisplaatsing van [naam kind01] is er meer rust gekomen in het leven van de moeder en [naam kind01] . Zowel Prokino als de jeugdbescherming is betrokken en er is meer zicht op de situatie gekomen. In de komende periode is het van belang dat er een interactieonderzoek van de grond komt. Het is van belang dat de moeder leert aansluiten bij de (emotionele) opvoedbehoeften van [naam kind01] . Daarnaast is het belangrijk dat er zorgvuldig toegewerkt wordt naar een thuisplaatsing en er geen crisissituatie meer ontstaat. Wanneer [naam kind01] eenmaal thuis is, moet voorkomen worden dat hij opnieuw uit huis wordt geplaatst. Ondanks dat de moeder haar best doet, zijn er zorgen over haar zelfinzicht. De betrokkenheid van de jeugdbescherming is daarom noodzakelijk.

De standpunten

De GI heeft zich tijdens de mondelinge behandeling aangesloten bij het verzoek van de Raad. In de afgelopen periode zijn de bezoeken van de moeder aan [naam kind01] opgebouwd naar drie begeleide bezoeken per week. Er is sprake van een positieve samenwerking met de moeder. Ze staat open voor hulpverlening en de adviezen die aan haar worden gegeven. Dat heeft er toe geleid dat de moeder haar ouderrol op zich kan nemen door het brengen en halen van [naam kind01] naar het kinderdagverblijf. De Raad adviseert gezinsondersteuning en GGZ-hulpverlening. De jeugdbeschermer is hierover in gesprek met de moeder om te bezien wat de mogelijkheden zijn en wat er nodig is om een zo rustig mogelijke leefomgeving voor [naam kind01] te creëren. In de komende vier maanden zal er toegewerkt worden naar een thuisplaatsing. Daarna zal er zicht moeten worden gehouden op de situatie.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder is blij met de hulp en de steun die zij krijgt van de hulpverleners en de pleegmoeder. Ook [naam kind01] heeft goed contact met de pleegmoeder. Dit geeft de moeder rust.
De pleegmoeder heeft tijdens de mondelinge behandeling als informant naar voren gebracht dat het goed gaat met [naam kind01] . [naam kind01] kan bij haar blijven zolang dat nodig is.

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b (BW).
Gebleken is dat [naam kind01] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. In augustus 2022 is [naam kind01] met spoed uit huis is geplaatst nadat de moeder in een verwarde toestand terecht is gekomen, vermoedelijk als gevolg van stress en lachgasgebruik. Bij de moeder is sprake van een belast verleden en lijkt een beperkt zelfinzicht te hebben in de gevolgen hiervan op haar eigen leven en dat van [naam kind01] . Daarnaast zijn er zorgen over de gehechtheidsrelatie tussen [naam kind01] en de moeder.
In de afgelopen periode is er sprake van een positieve ontwikkeling. [naam kind01] verblijft bij de moeder van een vriendin van de moeder en dit verloopt goed. Er vinden drie keer in de week begeleide bezoeken plaats tussen de moeder en [naam kind01] . De moeder staat open voor hulpverlening en adviezen van de jeugdbescherming en Prokino. Daarnaast zal er in de komende periode een interactieonderzoek plaatsvinden en daaruit volgende hulpverlening worden ingezet, zodat de moeder leert aansluiten bij de (emotionele) opvoedbehoeften van [naam kind01] . Daarnaast worden de mogelijkheden van GGZ-hulpverlening voor de moeder onderzocht. Het is van belang dat de moeder haar belaste verleden een plekje weet te geven.
In de komende periode zal er toegewerkt worden naar een thuisplaatsing van [naam kind01] bij de moeder. Tot die tijd is een voortzetting van zijn verblijf bij de pleegmoeder van belang. De kinderrechter acht de betrokkenheid van de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om passende hulpverlening in te zetten en zicht te houden op de thuisplaatsing en ontwikkeling van [naam kind01] . De kinderrechter zal daarom [naam kind01] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg verlenen voor de duur van vier maanden.

De beslissing

De kinderrechter:
stelt [naam kind01] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 25 november 2022 tot 25 november 2023;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 november 2022 tot 25 maart 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2022 door mr. P. Vlaardingerbroek, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.A. Graven, als griffier.
Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 6 december 2022.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.