ECLI:NL:RBROT:2022:12009

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
3 maart 2023
Zaaknummer
C/10/649350 / JE RK 22-2873 en C/10/649351 / JE RK 22-2874
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in het belang van veiligheid en opvoeding

De rechtbank Rotterdam heeft op 23 december 2022 besloten tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarig kind, geboren in 2011, voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling tot 10 maart 2023.

De beslissing volgt op een incident waarbij de politie een verwarde en agressieve moeder aantrof, onder invloed van alcohol, terwijl het kind aanwezig was. Er werden wondjes op het kind vastgesteld die door een forensisch arts als toegebracht letsel werden aangemerkt, wat aanleiding gaf tot zorgen over mogelijke kindermishandeling. Eerdere vergelijkbare incidenten en psychiatrische vermoedens bij de moeder versterkten deze zorgen.

De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming onderschreven het verzoek tot verlenging, terwijl de moeder zich verzette en pleitte voor terugplaatsing met inzet van ambulante hulpverlening. De kinderrechter oordeelde dat de veiligheid van het kind op dit moment niet kan worden gegarandeerd en dat verder onderzoek en hulpverlening noodzakelijk zijn alvorens terugplaatsing verantwoord is.

De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het kind verblijft in een pleeggezin en begeleide bezoeken worden opgestart. De moeder staat open voor hulpverlening, waaronder traumabehandeling. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van het kind wordt verlengd tot 10 maart 2023 en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/649350 / JE RK 22-2873 en C/10/649351 / JE RK 22-2874
Datum uitspraak: 23 december 2022
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
betreffende

[naam kind01] ,

geboren op [geboortedatum01] 2011 te [geboorteplaats01] , hierna te noemen: [naam kind01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam01] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats01] ,
advocaat: mr. N.S. van der Vliet, te Rotterdam.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 10 december 2022 en de daarin genoemde stukken (C/10/649350);
- de beschikking van deze rechtbank van 10 december 2022 en de daarin genoemde stukken (C/10/649351).
Op 23 december 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden en heeft de kinderrechter de zaken met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad, [naam02] ;
- twee vertegenwoordigsters van de GI, [naam03] en een collega.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind01] wordt uitgeoefend door de moeder.
[naam kind01] verblijft in een pleeggezin.
Bij beschikking van 10 december 2022 (C/10/649350) is [naam kind01] voorlopig onder toezicht gesteld tot 10 maart 2023. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken. De beslissing is voor het overig verzochte aangehouden.
Bij een andere beschikking van 10 december 2022 (C/10/649351) heeft de kinderrechter vervangende toestemming voor een medische behandeling verleend, te weten een onderzoek door een Forensisch arts Rotterdam Rijnmond (FARR).
De kinderrechter heeft partijen hierover op 23 december 2022 gehoord.

Het aangehouden verzoek

De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. In de nacht van 9 op 10 december 2022 is de politie naar aanleiding van een melding naar de woning van de moeder gegaan. Het lukte de politie niet om met de moeder in gesprek te gaan, omdat zij onder invloed was van alcohol en verward en agressief gedrag vertoonde. [naam kind01] was hierbij aanwezig. Het CIT vond de situatie niet veilig voor [naam kind01] . Er zijn wondjes op de arm van [naam kind01] gezien, die door de moeder veroorzaakt zouden zijn. Uit onderzoek door een FARR-arts blijkt het te gaan om toegebracht letsel, waardoor er zorgen zijn over mogelijke kindermishandeling. Ook zijn er zorgen over het alcoholgebruik van de moeder en haar verwarde en agressieve gedrag. Vorig jaar heeft een soortgelijke situatie plaatsgevonden, waarbij [naam kind01] tijdelijk bij haar oom is geplaatst. Het is noodzakelijk dat er gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling wordt onderzocht wat er aan de hand is, wat [naam kind01] nodig heeft en of zij in het netwerk kan worden geplaatst. Het is in het belang van [naam kind01] dat zij pas weer naar huis kan als de thuissituatie stabiel en veilig is en het met de moeder goed gaat. Tot die tijd is het van belang dat [naam kind01] op een veilige plek in het pleeggezin verblijft.

De standpunten

De GI heeft ter zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. Er zijn zorgen over de situatie van de moeder. Er zijn bij de politie meerdere mutaties bekend over de moeder die verward gedrag vertoonde. Ook de huisarts heeft aangegeven dat er vermoedens zijn van een psychiatrische problematiek bij de moeder en de school van [naam kind01] heeft aangegeven dat de moeder verbaal agressief kan zijn. [naam kind01] is eerder met toestemming van de moeder bij haar oom geplaatst. Er zijn echter ook politiemutaties over de broers van de moeder. De GI zal onderzoeken of [naam kind01] in het netwerk kan worden geplaatst. Met [naam kind01] gaat het goed in het pleeggezin. De begeleide bezoeken worden opgestart. Het is fijn dat de moeder binnenkort start met traumabehandeling. Er is tijd nodig om ervoor te zorgen dat de thuissituatie weer veilig is voor [naam kind01] . Terugplaatsing bij de moeder met inzet van ASH is op dit moment een te licht middel gezien de zorgen die er zijn.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Er zijn geen gronden voor een uithuisplaatsing aanwezig dan wel kunnen zij worden ondervangen door de voorlopige ondertoezichtstelling. Op de dag dat de politie naar de woning kwam, was de moeder ziek en meer prikkelbaar dan anders. De moeder erkent dat zij [naam kind01] heeft beetgepakt bij de arm en heeft hier veel spijt van. Er wordt in de rapportage gesproken over verward gedrag, maar de moeder betwist dit. Er was sprake van miscommunicatie. De moeder erkent dat haar handelen die avond niet de schoonheidsprijs verdient. Vorig jaar was er een soortgelijk incident, maar kennelijk was toen het oordeel dat geen hulpverlening noodzakelijk was. De moeder heeft een turbulente periode gehad. De moeder heeft via de huisarts een intakegesprek bij GGZ Vlaardingen geregeld voor traumabehandeling. De moeder staat open voor de hulpverlening. Een uithuisplaatsing is een ultimum remedium. Het is niet goed voor [naam kind01] om uit haar vertrouwde omgeving te worden weggehaald. Er is een netwerk beschikbaar. Er kan ASH worden ingezet, zodat vanuit de thuissituatie verder onderzoek kan worden gedaan. [naam kind01] dient op een zo kort mogelijke termijn teruggeplaatst worden bij de moeder en anders bij haar oom geplaatst worden. Verzocht wordt om het resterende deel van het verzoek af te wijzen.

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind01] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).
In de nacht van 9 op 10 december 2022 was er in de thuissituatie sprake van een zeer zorgelijke situatie. De moeder maakte een verwarde indruk en vertoonde agressief gedrag. Het lukte de politie niet om met de moeder in gesprek te gaan. Ook werden in de woning lege flessen wijn, gebroken vazen en vuilniszakken gevonden. Daarnaast werden er wondjes op de arm van [naam kind01] gezien. Er waren op dat moment veel zorgen over de veiligheid van [naam kind01] . [naam kind01] is toen met spoed in een neutraal pleeggezin geplaatst.
Er zijn zorgen over de veiligheid van [naam kind01] in de thuissituatie. Er zijn zorgen over het middelengebruik van de moeder en haar verwarde gedrag. De wondjes op de arm van [naam kind01] zijn door een FARR-arts onderzocht. Er zijn aanwijzingen van kindermishandeling. Op dit moment is een thuisplaatsing van [naam kind01] niet in haar belang. De komende periode dient onderzoek te worden gedaan naar de ontwikkeling en leefsituatie van [naam kind01] , de mogelijkheden van de moeder om de veiligheid te garanderen en bij de behoeften van [naam kind01] aan te sluiten. Ook dient gekeken te worden welke hulpverlening nodig is om te bezien of een terugplaatsing mogelijk is en zo ja onder welke voorwaarden. Daarnaast dient onderzocht te worden of [naam kind01] in het netwerk kan worden geplaatst. Positief is dat de moeder bereid is om mee te werken met de hulpverlening. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 10 maart 2023;
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2022 door mr. J.S. van den Berge, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok, als griffier. Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 27 januari 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.