Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de heer [naam] , middellijk bestuurder van verzoekster;
- mr. M. Kooiman, advocaat van verzoekster; en
- mr. O. Zaïr, kantoorgenoot mr. Kooiman.
Rechtbank Rotterdam
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid verzoekster heeft medio 2021 haar onderneming gestaakt en kampt met een schuldenlast van circa €900.000 verdeeld over elf schuldeisers. Zij heeft een verzoek ingediend om een afkoelingsperiode van vier maanden af te kondigen op grond van artikel 376 Faillissementswet Pro, teneinde een liquidatieakkoord voor te bereiden en aan te bieden aan haar schuldeisers. De rechtbank Rotterdam heeft dit verzoek behandeld en gelet op het ingediende faillissementsverzoek en de lopende civiele procedure met een schuldeiser, de noodzaak van een afkoelingsperiode erkend.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers met het instellen van een afkoelingsperiode worden gediend, mede omdat de WHOA ook kan worden toegepast bij liquidatie en mogelijk een betere uitkering aan schuldeisers kan bieden dan een faillissement. Vanwege onzekerheid over de meerwaarde van het akkoord ten opzichte van faillissement, is een observator benoemd om de belangen van schuldeisers te bewaken. De observator zal onder meer de waarde van de aanwezige voorraad en een ontwikkelde softwaretool beoordelen.
De rechtbank heeft de afkoelingsperiode van vier maanden afgekondigd, waarbij het verhaal op goederen van verzoekster wordt beperkt en de behandeling van het faillissementsverzoek wordt geschorst. De kosten van de observator komen voor rekening van verzoekster. De beslissing is genomen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2022.
Uitkomst: Afkoelingsperiode van vier maanden afgekondigd en observator benoemd ter bescherming van schuldeisersbelangen.