De rechtbank Rotterdam behandelde een civiele zaak tussen Dexia Nederland B.V. en een particuliere afnemer over een effectenleaseovereenkomst. De kern van het geschil betrof de vraag of de overeenkomst tijdig was vernietigd en of Dexia schadevergoeding moest betalen.
In een eerder tussenvonnis werd een bewijsvermoeden aangenomen dat de voormalige echtgenote van de afnemer vóór 13 maart 2003 kennis had van de overeenkomst, waardoor het vernietigingsrecht zou zijn verjaard. Tijdens het getuigenverhoor leverde de afnemer echter tegenbewijs door samen met zijn voormalige echtgenote te verklaren dat zij pas na 13 maart 2000 van de overeenkomst op de hoogte was geraakt.
De rechtbank oordeelde dat het bewijsvermoeden was ontzenuwd en dat de overeenkomst tijdig was vernietigd. Dexia moest de door de afnemer betaalde inleg minus dividenduitkeringen en fiscale voordelen vergoeden, een bedrag van €15.763,96. Vergoeding van buitengerechtelijke kosten werd afgewezen op grond van een eerder arrest van de Hoge Raad. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf vier weken na de vernietigingsbrief, te weten 27 januari 2006.
De proces- en nakosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.