Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
2.Waar gaat het over?
- [naam kind 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2001, en
- [naam kind 2] (hierna: [voornaam kind 2] ), geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2006.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie door de vrouw en haar kinderen tegen de man, de vader. De vrouw en de jongmeerderjarige [voornaam kind 1] vroegen alimentatie vanaf 1 augustus 2021, maar de rechtbank stelde de ingangsdatum vast op 1 januari 2022 vanwege vertraging in het indienen van het verzoek en eerdere kostenbetalingen door de man.
De rechtbank berekende de behoefte van [voornaam kind 2] op basis van het gezinsinkomen van 2020 en gebruikte Nibud-tabellen, wat resulteerde in een behoefte van € 472 per maand. Voor [voornaam kind 1], een hbo-student die thuis woont, werd de studiekostennorm aangepast met een vermindering voor woonlasten en werd rekening gehouden met een deel van zijn eigen inkomsten, waardoor zijn behoefte op € 488 per maand werd vastgesteld.
De draagkracht van de man werd berekend op € 756 per maand, verdeeld over beide kinderen, en die van de vrouw op € 85 per maand. Omdat de gezamenlijke draagkracht lager was dan de totale behoefte, werd de volledige draagkracht van de man toegewezen, resulterend in een alimentatie van € 378 per kind per maand. De rechtbank wees dubbele woonlasten af wegens gebrek aan bewijs en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De man moet vanaf 1 januari 2022 maandelijks € 378 betalen voor elk kind als kinderalimentatie.