ECLI:NL:RBROT:2022:1280

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2022
Publicatiedatum
23 februari 2022
Zaaknummer
10/964013-12 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511c SvArt. 6:4:18 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ontnemingszaak na schikking wegens wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank Rotterdam behandelde op 24 februari 2022 een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Sr. De vordering betrof een bedrag tot maximaal €296.722,86, voortvloeiend uit strafbare feiten waarvoor de veroordeelde bij onherroepelijk arrest was veroordeeld, waaronder het aannemen en vragen van giften als wethouder en witwassen.

Tijdens de terechtzitting op 13 januari 2022 gaf de officier van justitie aan dat met de veroordeelde een ontnemingsschikking was getroffen conform artikel 511c Sv en dat het overeengekomen bedrag inmiddels volledig was voldaan. De officier van justitie verzocht de rechtbank te verklaren dat de zaak van rechtswege is geëindigd.

De rechtbank overwoog dat hoewel de wet geen expliciete procedure voorschrijft voor de afhandeling na voldoening van een ontnemingsschikking, het het meest recht doet aan de wettelijke bedoeling om de zaak als beëindigd te beschouwen. Hierbij verwees de rechtbank naar een eerder arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De rechtbank verklaarde daarom dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken, bestaande uit voorzitter J. van der Groen en rechters M.J.M. van Beckhoven en M.M. Dolman, en uitgesproken op 24 februari 2022.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de ontnemingszaak van rechtswege geëindigd na volledige voldoening van de ontnemingsschikking.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/964013-12 (
ontneming)
Datum uitspraak: 24 februari 2022
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
[naam veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres veroordeelde],
raadsvrouw mr. G.J.J.G. Stevens-Waltmans, advocaat te Roermond.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2022.

2..Vordering

De vordering van de officier van justitie, mr. G.H. Rip, van 4 mei 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 296.722,86.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze de feiten betreft waarvoor de veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3..Grondslag van de vordering

De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2017 veroordeeld wegens - voor zover hier van belang - onderstaande strafbare feiten.
Ten aanzien van de feiten 4 en 5:
Als wethouder een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten, meermalen gepleegd
en
Als wethouder een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van hetgeen door hem in zijn huidige en/of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd
en
Als wethouder een gift vragen, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten, meermalen gepleegd
en
Als wethouder een gift vragen ten gevolge van hetgeen door in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 6:
Als wethouder een gift en een dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten
en
Als wethouder een gift en een dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van hetgeen door hem in zijn huidige en/of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten
en
Als wethouder een gift en diensten vragen, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten
en
Als wethouder een gift en diensten vragen ten gevolge van hetgeen door in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van feit 7:
Witwassen, meermalen gepleegd.

4..Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel verkregen.
De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt dat met de veroordeelde een ontnemingsschikking, als bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), is getroffen en dat de veroordeelde het overeengekomen bedrag inmiddels volledig heeft voldaan. De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat wordt verstaan dat de zaak van rechtswege is geëindigd.

5..Beslissing

Artikel 6:4:18 Sv Pro bepaalt dat, als met de veroordeelde een schikking is aangegaan en door de veroordeelde aan de termen van de schikking is voldaan de zaak (als de vordering tot ontneming al is ingediend bij de rechtbank) van rechtswege is geëindigd. De wet bepaalt niet hoe de beslissing van de rechtbank in zo’n geval moet luiden. De rechtbank overweegt dat, hoewel het verstaan dat de zaak van rechtswege is geëindigd na het voldoen aan een schikking niet past in het systeem van de wet, deze beslissing het meest recht doet aan hetgeen de wetgever ten aanzien van de afhandeling van de ontnemingsprocedure heeft beoogd. De rechtbank verwijst naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7248.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. van der Groen, voorzitter,
en mrs. M.J.M. van Beckhoven en M.M. Dolman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2022.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.