Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
ontneming)
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde op 24 februari 2022 een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Sr. De vordering betrof een bedrag tot maximaal €296.722,86, voortvloeiend uit strafbare feiten waarvoor de veroordeelde bij onherroepelijk arrest was veroordeeld, waaronder het aannemen en vragen van giften als wethouder en witwassen.
Tijdens de terechtzitting op 13 januari 2022 gaf de officier van justitie aan dat met de veroordeelde een ontnemingsschikking was getroffen conform artikel 511c Sv en dat het overeengekomen bedrag inmiddels volledig was voldaan. De officier van justitie verzocht de rechtbank te verklaren dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
De rechtbank overwoog dat hoewel de wet geen expliciete procedure voorschrijft voor de afhandeling na voldoening van een ontnemingsschikking, het het meest recht doet aan de wettelijke bedoeling om de zaak als beëindigd te beschouwen. Hierbij verwees de rechtbank naar een eerder arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De rechtbank verklaarde daarom dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken, bestaande uit voorzitter J. van der Groen en rechters M.J.M. van Beckhoven en M.M. Dolman, en uitgesproken op 24 februari 2022.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de ontnemingszaak van rechtswege geëindigd na volledige voldoening van de ontnemingsschikking.