De rechtbank Rotterdam heeft op 25 februari 2022 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde was eerder veroordeeld wegens medeplegen van meerdere oplichtingen in de periode van september tot december 2020 en deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met whatsapp/tikkie-fraude.
De officier van justitie vorderde een ontnemingsbedrag van €47.642,49, gebaseerd op een totale opbrengst van €83.227,- die verdeeld zou worden over drie veroordeelden. De rechtbank volgde het standpunt van de officier van justitie dat een gelijke verdeling (ponds-ponds gewijs) passend was, omdat geen concrete verdeling kon worden vastgesteld en geen van de veroordeelden een ondergeschikte rol had.
De verdediging betwistte de hoogte van het bedrag en stelde een lagere berekening voor, maar de rechtbank achtte de bewijsmiddelen en het arrest van de Hoge Raad voldoende om het voordeel vast te stellen. Er werd geen rekening gehouden met kosten vanwege het ontbreken van een boekhouding.
De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde om €27.742,- aan de Staat te betalen en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 170 dagen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.