ECLI:NL:RBROT:2022:1391

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
25 februari 2022
Zaaknummer
10/326673-20 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na oplichting via whatsapp/tikkie fraude

De rechtbank Rotterdam heeft op 25 februari 2022 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde was veroordeeld voor meerdere oplichtingen gepleegd via whatsapp en tikkie, ook wel bekend als 'vriend in nood fraude', en deelname aan een criminele organisatie gericht op deze oplichtingen.

De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, begroot op €27.261, gebaseerd op een ponds-pondsgewijze verdeling van het totale voordeel van €83.227 onder drie veroordeelden. De verdediging betwistte deze berekening en stelde dat de veroordeelde slechts 40% van de opbrengst kreeg en dat kosten niet waren meegenomen.

De rechtbank volgde het standpunt van de officier van justitie, gelet op de bewezen deelname aan de criminele organisatie en het feit dat de opbrengsten feitelijk werden gedeeld. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde werd vastgesteld op €27.742. Er is rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden en draagkracht van de veroordeelde.

De rechtbank legde de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 170 dagen. De toegewezen schadevergoedingen aan benadeelden worden niet in mindering gebracht op dit bedrag zolang deze niet zijn voldaan.

Uitkomst: Veroordeelde moet €27.742 betalen aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2

Parketnummers: 10/326673-20 (ontneming)

Datum uitspraak: 25 februari 2022
Tegenspraak

VONNIS

van de Rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres veroordeelde] , [postcode veroordeelde] [woonplaats veroordeelde] ,
raadsvrouw mr. J.J. Boelaars, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 en 28 januari 2022 en van 25 februari 2022.

Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 25 februari 2022 is [naam veroordeelde] veroordeeld wegens na te noemen strafbare feiten - kort weergegeven en voor zover van belang -:
Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd in de periode van 19 oktober 2020 tot en met 23 oktober 2020, met in totaal 4 aangevers;
Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd in de periode van 23 september 2020 tot en met 27 december 2020 met in totaal 30 aangevers;
Oplichting, meermalen gepleegd in de periode van 24 september 2020 tot en met 4 oktober 2020 met in totaal 6 aangevers;
Deelname aan een criminele organisatie in de periode van 1 september 2020 tot en met 28 december 2020, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van oplichting, de zogenaamde whatsapp/tikkiefraude.
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan.
Een kopie van dit vonnis is als bijlage hierbij gevoegd. De inhoud ervan wordt geacht deel uit te maken van dit vonnis.

Vordering

De vordering van de officier van justitie mr. A. Ekiz strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een bedrag van
€ 27.261,-.
De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van feiten waarvoor [naam veroordeelde] is veroordeeld.
Ter terechtzitting van 28 januari 2022 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd. Zij komt tot een andere berekening en heeft daarvoor aangevoerd dat zij ten aanzien van de veroordeelden [naam medeveroordeelde 1] , [naam veroordeelde] en [naam medeveroordeelde 2] heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie. Hieruit volgt dat alle aan deze veroordeelden tenlastegelegde oplichtingen in de berekening voor het wederrechtelijk verkregen voordeel worden meegenomen.
Over de verdeling van het buitgemaakt geld heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. Uit de afgeluisterde tapgesprekken kan niet worden vastgesteld wat de exacte verdeling is geweest van de door de veroordeelden opgenomen ‘gestroomde’ geldbedragen. De veroordeelden hebben hierover ook geen openheid van zaken gegeven, anders dan dat door [naam medeveroordeelde 1] en [naam veroordeelde] 40% is genoemd, hetgeen ongefundeerd is en niet is te rijmen met de afgeluisterde telefoongesprekken. Naar het oordeel van de officier van justitie dient een pondspondsgewijze verdeling te worden toegepast.
Het totaal verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel uit alle voltooide oplichtingen bedraagt € 83.227,- en verdeeld over de drie veroordeelden komt dat op ieder € 27.742,-.
Dit bedrag dient als betalingsverplichting te worden opgelegd.

Standpunt verdediging

De verdediging betwist de vordering en heeft tevens verzocht de nieuwe berekening van de officier van justitie niet te volgen.
De veroordeelde heeft verklaard dat hij 40% kreeg van de opbrengst per voltooide oplichting. In het dossier zijn aanwijzingen dat [naam medeveroordeelde 2] meer kreeg dan de 10% die aan hem wordt toegerekend.
Ook is het aannemelijk dat er kosten zijn gemaakt, voor telefoons en telefoonkaarten, die niet zijn meegerekend in de berekening. Bepleit is alleen 40% van de bedragen die rechtstreeks aan de veroordeelde kunnen worden toegerekend als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken.

Beoordeling en berekening

In het strafrechtelijk onderzoek genaamd Boxer is komen vast te staan dat de veroordeelde
samen met anderen, zich gedurende een periode van enkele maanden schuldig heeft gemaakt aan een groot aantal oplichtingen. Samen hebben zij de slachtoffers opgelicht en bewogen tot afgifte van geld door zich via whatsapp voor te doen als hun kind dat in geldnood zat en daarna vroeg geld over te maken via een tikkie. De veroordeelden hebben de bankrekeningen geregeld waar dit geld op gestort kon worden, waarna het geld snel werd opgenomen. Voornamelijk werden er luxe goederen mee gekocht. [1]
In het kader van dit onderzoek is aannemelijk geworden dat de veroordeelde door het plegen van deze misdrijven wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. [2] Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.
De schatting van het voordeel is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de (in de voetnoten vermelde) wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.
Het financieel rapport vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013 [3] , zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken of weergeven en volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen van het rapport en het dossier.
De berekening in het financieel rapport is door de officier van justitie niet gevolgd. Zoals hiervoor is weergegeven heeft zij op de zitting van 28 januari 2022 een ander standpunt ingenomen. De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie, aangezien [naam veroordeelde] is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, de organisatie daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit de concrete strafbare feiten waarop het oogmerk was gericht en uit de bewijsmiddelen blijkt dat de veroordeelden feitelijk deelden in de opbrengst. [4]
In de processen-verbaal van de berekeningen van het voordeel zijn de aangiften en de bedragen genoemd die door de benadeelden door de oplichtingspraktijk van de veroordeelde en zijn medeveroordeelden zijn overgemaakt. [5]
Gezien het vorengaande bedraagt het door de veroordeelde in de periode van 23 september 2020 tot en met 27 december 2020 geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van
€ 83.227,-.
Dit bedrag zal ponds-ponds gewijs worden verdeeld onder de veroordeelde en [naam medeveroordeelde 1] en [naam medeveroordeelde 2] .
Nu niet is vast te stellen wat de exacte verdeling tussen de veroordeelden is geweest, omdat over verschillende percentages wordt gesproken en ook niet evident is gebleken dat één van de veroordeelden een ondergeschikte rol had, komt de rechtbank tot een evenredige verdeling.
Een ponds-ponds gewijze toedeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel doet daarom recht aan die situatie.
De veroordeelden hebben geen concreet inzicht gegeven in eventuele kosten die zijn gemaakt om deze feiten te plegen, zodat daar in de berekening geen rekening mee wordt gehouden.
Gelet op het voorgaande komt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde uit op een bedrag van
€ 27.742,-.
In deze zaak hebben veel aangevers ook als benadeelde partij een vordering ingediend. De vorderingen zijn door de rechtbank grotendeels toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Nu deze vorderingen nog niet zijn voldaan, strekken de toegewezen bedragen niet in mindering op het te ontnemen bedrag (artikel 36e lid 9 Sr). Indien en nadat alsnog betaling plaatsvindt, kan worden verzocht om toepassing van artikel 6:6:26 Sv Pro om achteraf tot vermindering van het ontnemingsbedrag te komen.

Vaststelling van het te betalen bedrag

Er zijn geen concrete feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat de veroordeelde thans of in de (nabije) toekomst over onvoldoende draagkracht zal beschikken om het vastgestelde bedrag aan de Staat terug te betalen.
Het voorgaande leidt ertoe dat aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting dient te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 27.742,-.
Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
€ 27.742,- (zegge: zevenentwintig duizend zevenhonderd tweeënveertig euro);
- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van
€ 27.742,- (zegge: zevenentwintig duizend zevenhonderd tweeënveertig euro);
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 170 (zegge: éénhonderd zeventig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzitter,
en mrs. G.P. van de Beek en M.J.M. van Beckhoven, rechters,
in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2022.
De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

Voetnoten

1.Strafmotivering uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 25 februari 2022.
2.Proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel onderzoek Boxer, documentcode [code document 1] d.d. 23 maart 2021 (pagina’s 855 t/m 858 van het zaaksdossier whatsapp fraude), hierna ook te noemen het (financieel) rapport.
4.De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 26 januari 2022 en de bewijsmiddelen bij het vonnis van 25 februari 2022.
5.Proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [naam medeveroordeelde 1] , [code document 2] (pagina’s 851 t/m 854 van het zaaksdossier whatsapp fraude) en het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [naam veroordeelde] , [code document 1] (pagina’s 855 t/m 858 van het zaaksdossier whatsapp fraude).