ECLI:NL:RBROT:2022:140

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 januari 2022
Publicatiedatum
12 januari 2022
Zaaknummer
9558785 VV EXPL 21-499
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 6:265 BWArtikel 30p Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing huurachterstandvordering en afwijzing ontruimingsvordering in kort geding

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres betaling van een huurachterstand van € 2.896,- en ontruiming van een woning te Ridderkerk. De huurovereenkomst is gesloten met twee huurders, waarvan één onder bewind staat en de ander niet meer in de woning woont. De kantonrechter beoordeelt de spoedeisendheid en de kans van slagen van de vorderingen.

De kantonrechter stelt vast dat de huurders hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de huurachterstand, die niet betwist wordt. De gevorderde wettelijke rente wordt eveneens toegewezen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens een niet-conforme aanmaning. De ontruimingsvordering wordt afgewezen omdat de huurachterstand deels is veroorzaakt door de huurder die niet meer in de woning woont en de andere huurder een urgentieverklaring heeft en actief op zoek is naar een nieuwe woning.

De kantonrechter veroordeelt de huurders hoofdelijk tot betaling van de huurachterstand en de wettelijke rente en veroordeelt hen in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurachterstand en wettelijke rente toegewezen, ontruiming en incassokosten afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 9558785 VV EXPL 21-499
Datum: 4 januari 2022
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ex artikel 30p Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van:
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.A.Th. van den Berg te Rotterdam,
tegen:

1..[gedaagde 1] t.h.o.d.n. [handelsnaam] ,

in de hoedanigheid van bewindvoerder van
[persoon A] ,
kantoorhoudende te [plaats] ,
2. [gedaagde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
die procederen in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ”, “de bewindvoerder” en “ [gedaagde 2] ”. De bewindvoerder en [gedaagde 2] worden tezamen aangeduid als “gedaagden”. Mevrouw [persoon A] wordt hierna aangeduid als “ [persoon A] ”.
Aanwezig zijn als kantonrechter mr. A.J.L.M. van der Wildt en als griffier mr. J. Ista.
Na uitroeping van de zaak verschijnt aan de zijde van eisende partij de heer [persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde. Aan de zijde van gedaagde partij zijn de bewindvoerder en [gedaagde 2] verschenen.
De kantonrechter gaat over tot de mondelinge behandeling.
Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld te bezien of zij tot een vergelijk konden komen, maar zij zijn daarin niet geslaagd. Daarop heeft de kantonrechter op de voet van artikel 30p Rv in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak luidt als volgt.

1..De gronden van de beslissing

1.1
In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vorderingen van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Daarbij dient de kantonrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte toetsing daarvan, aangezien een kort geding procedure zich niet leent voor nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
1.2
Voorshands voldoende aannemelijk is dat eind 2020 nadat de oorspronkelijke verhuurder van de woning niet langer bereikbaar was voor partijen tussen [eiseres] als verhuurder en [persoon A] en [gedaagde 2] als huurders een huurovereenkomst tot stand is gekomen inzake de woning aan de [adres] te Ridderkerk (hierna: het gehuurde) en dat er op enig moment een huurachterstand is ontstaan. Vast staat dat de goederen die (zullen) toebehoren aan [persoon A] onder bewind zijn gesteld en dat [gedaagde 2] niet meer woonachtig is in het gehuurde.
1.3
[eiseres] legt - zakelijk weergegeven en voor zover nu van belang - het volgende aan haar vordering ten grondslag. Gedaagden zijn in gebreke gebleven met volledige nakoming van de op hen rustende uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen door een huurachterstand te laten ontstaan van € 2.896,-, berekend tot en met november 2021. [eiseres] wil het gehuurde daarom ontruimen. Naast het openstaande bedrag aan huurachterstand zijn gedaagden wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd, alsmede een schadevergoeding van € 921,60 over elke maand of gedeelte daarvan dat [eiseres] het gehuurde niet kan gebruiken.
1.4
De bewindvoerder is het niet eens met de vorderingen van [eiseres] , en heeft daartegen - zakelijk weergegeven en voor zover nu van belang – het volgende aangevoerd. De bewindvoerder erkent dat er een huurachterstand is ontstaan. Deze achterstand is ontstaan omdat [gedaagde 2] zijn deel van de afspraak per 1 juli 2021 – zoals opgenomen in de brief van SchuldHulpMaatje van 29 juni 2021 - niet is nagekomen, inhoudende dat hij € 150,- per week aan [eiseres] zou overmaken. De bewindvoerder is haar deel van de afspraken wel nagekomen. [persoon A] heeft inmiddels een urgentieverklaring en is actief op zoek naar een nieuwe woning. Graag krijgt zij de tijd om een andere woning te vinden, zodat zij niet met haar kinderen op straat komt te staan.
1.5
[gedaagde 2] is het niet eens met de vorderingen van [eiseres] , en heeft daartegen - zakelijk weergegeven en voor zover nu van belang – het volgende aangevoerd. Het klopt dat er een huurachterstand is ontstaan, maar aangezien [gedaagde 2] niet meer woonachtig is in het gehuurde is voornoemde afspraak komen te vervallen en is hij niet meer verplicht om huur te betalen.
1.6
Allereerst dient beoordeeld te worden of het belang van [eiseres] bij het treffen van een voorlopige voorziening dermate spoedeisend is dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] vanwege het bestaan van een huurachterstand een voldoende spoedeisend belang bij de door haar gevorderde voorlopige voorziening, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vordering.
1.7
Op basis van de huurovereenkomst tussen [eiseres] als verhuurder en [persoon A] en [gedaagde 2] als huurders zijn gedaagden gehouden tot betaling van de achterstallige huur. Dit betreft een hoofdelijke verbintenis. Dat [gedaagde 2] sedert ongeveer september niet meer in de woning woonachtig is brengt niet met zich dat hij alleen daardoor al niet langer gehouden is om de huurpenningen te voldoen. Niet gebleken is dat hij de huur heeft opgezegd of dat [eiseres] hebben ingestemd met het eindigen van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. De hoogte van de gevorderde huurachterstand van € 2.896,- berekend tot en met de maand november 2021 is door gedaagden onvoldoende betwist en wordt dan ook toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, nu daartegen geen verweer is gevoerd.
1.8
[eiseres] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 501,67. Dit deel van de vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Vaststaat dat gedaagden in verzuim zijn. Dit heeft tot gevolg dat zij buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn, als [eiseres] aan hen een termijn van minimaal 14 dagen heeft gegeven conform de wettelijke vereisten, en gedaagden niet binnen die termijn hebben betaald (artikel 6:96 lid 6 BW Pro). De overgelegde aanmaning van 27 oktober 2021 voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro gestelde eisen, omdat in deze brief een betalingstermijn van 5 dagen is opgenomen terwijl dit minimaal 14 dagen had moeten zijn. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
1.9
Als de huurder zijn verplichting om tijdig de huur betalen niet nakomt, mag de verhuurder de rechter vragen om de huurovereenkomst te ontbinden (artikel 6:265 BW Pro). De rechter wijst deze vordering in beginsel toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Daarbij wordt als uitgangspunt genomen dat een huurachterstand van meer dan drie maanden ontbinding rechtvaardigt, maar er kunnen zich omstandigheden voordoen die dit anders maken. Vaststaat dat sprake is van een huurachterstand van meer dan drie maanden. Gebleken is echter dat deze achterstand (gedeeltelijk) is veroorzaakt door [gedaagde 2] , die niet meer in het gehuurde woont. Bovendien is [persoon A] op zoek naar een nieuwe woning en vanwege de toegekende urgentie ligt het niet in de lijn der verwachtingen dat zij nog lange tijd in het gehuurde zal blijven. Gelet op deze omstandigheden is onvoldoende aannemelijk geworden dat de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen. De daarmee samenhangende vordering tot betaling van € 921,60 over elke maand (of gedeelte daarvan) dat [eiseres] het gehuurde niet kan gebruiken wordt eveneens afgewezen.
1.1
Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld.

2..De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt de bewindvoerder, als bewindvoerder over de goederen van [persoon A] , en [gedaagde 2] , hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.896,- aan huurachterstand berekend tot en met de maand november 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt de bewindvoerder, als bewindvoerder over de goederen van [persoon A] , en [gedaagde 2] , hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 126,- aan griffierecht, € 205,44 aan dagvaardingskosten en € 498,- aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de kantonrechter is ondertekend.
43416