In deze civiele procedure vordert de vrouw dat de man zorgdraagt voor haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor een hypothecaire lening verbonden aan de voormalige echtelijke woning, gebaseerd op afspraken in het echtscheidingsconvenant. De man voert verweer en vordert een langere termijn voor het regelen van het ontslag.
De man stelt een bevoegdheidsincident in, stellende dat de rechtbank Rotterdam niet bevoegd is omdat partijen in het convenant hebben afgesproken dat geschillen exclusief aan de rechtbank Amsterdam worden voorgelegd. Beide partijen stemmen in met verwijzing naar Amsterdam.
De rechtbank beoordeelt eerst de internationale bevoegdheid en stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels en Brussel-II bis. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de relatieve bevoegdheid bij de rechtbank Amsterdam ligt vanwege de forumkeuze in het convenant.
Daarom verklaart de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitgesproken op 12 januari 2022 door rechter Schellekens.