ECLI:NL:RBROT:2022:1517

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 februari 2022
Publicatiedatum
2 maart 2022
Zaaknummer
FT EA 22/133 en FT EA 22/135
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium ter voorkoming ontruiming woonruimte bij schuldsanering

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om uitvoering van een vonnis tot ontruiming van zijn huurwoning te voorkomen. De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege het vonnis en het exploot waarin ontruiming is aangekondigd.

Verzoeker heeft een parttime inkomen en ontvangt huurtoeslag, met ondersteuning van schuldhulpverlening en een aanvraag voor beschermingsbewind. Verweerster betwist de woonplaats van verzoeker en wijst op achterstanden in huurbetaling, maar bevestigt de betaling van de lopende huurtermijn.

De rechtbank weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van verweerster bij uitvoering van het vonnis. De voorziening wordt toegewezen voor zes maanden onder de voorwaarde dat huurtermijnen volledig en tijdig worden voldaan en de aanvraag tot beschermingsbewind niet wordt ingetrokken of afgewezen.

Daarnaast wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, vanwege de duur van het minnelijk traject. De voorziening wordt onder voorwaarden verlengd en schuldhulpverlening dient verslag uit te brengen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden onder voorwaarden en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 18 februari 2022
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft op 4 februari 2022, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (hierna: Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 4 februari 2022 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 februari 2022.
Ter zitting van 11 februari 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer [persoon A] , werkzaam bij Stroomopwaarts (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [persoon B] en
  • de heer [persoon C] , beiden werkzaam bij Stichting Woonplus Schiedam, gevestigd te Schiedam (hierna: verweerster).
Verweerster heeft voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2..Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, zo begrijpt de rechtbank, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 december 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij de huur voor de maand februari 2022, zijnde een bedrag ad € 487,16, op 31 januari 2022 heeft betaald.
Voorts is door schuldhulpverlening verklaard dat budgetbeheer reeds is opgestart en dat beschermingsbewind met spoed is aangevraagd, waarvoor de behandeling binnenkort ook gepland staat. Daarnaast blijkt uit de stukken dat schuldhulpverlening voor het minnelijk schuldhulpverleningstraject al diverse voorbereidingshandelingen heeft getroffen.
Verzoeker werkt parttime en verdient tussen de € 1.100,- en € 1.300,- per maand als AH-bezorger. Hij is in staat en bereid om fulltime te werken en is daarom actief aan het solliciteren. Bovendien ontvangt hij ook huurtoeslag van de Belastingdienst. Met zijn inkomen aangevuld met de huurtoeslag kan hij – met behulp van zijn budgetbeheerder en later zijn beschermingsbewindvoerder – zijn periodieke betalingen van de vaste lasten volledig en op tijd betalen.

3..Het verweer

Verweerster heeft in haar verweerschrift de rechtbank verzocht het verzoek
niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen. Op 29 december 2021 is door de rechtbank Rotterdam vonnis gewezen waarbij de ontbinding en ontruiming is toegewezen. De huurachterstand bedraagt thans € 2.920,96. Dit is exclusief incasso- en deurwaarderskosten. Zelfs nadat verzoeker zich in november 2021 bij schuldhulpverlening heeft aangemeld, zijn de lopende huurtermijnen niet betaald. Verweerster heeft de ontvangst van het huurbedrag van februari 2022 desgevraagd ter zitting bevestigd, maar geeft daarbij aan dat stornering van dit bedrag door de bank nog mogelijk is. Verweerster heeft verzoeker de optie voorgelegd om zich onder bewind te laten stellen, maar hier stond hij in eerste instantie niet voor open. Ten slotte betwijfelt verweerster of verzoeker wel woonachtig is in de woning daar zij tijdens het huisbezoek van 1 februari 2022 niet verzoeker, maar een vriendin van verzoeker aantrof in de woning.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij wel degelijk de bewoner is van de woning en dat hij alle medewerking zal verlenen aan de voorwaarden voor toewijzing van de aanvraag van het beschermingsbewind.

4..De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 december 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 17 januari 2022 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 10 februari 2022 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 29 december 2021 ten uitvoer kan leggen en op zoek kan gaan naar een nieuwe huurder.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft een inkomen van tussen de
€ 1.100,- en € 1.300,- en ontvangt daarnaast huurtoeslag van de Belastingdienst, waarmee hij de huur, zijnde een bedrag ad € 487,16, dient te kunnen betalen. Daarnaast heeft verzoeker thans een budgetbeheerder en weegt de rechtbank in haar oordeel mee de lopende aanvraag voor beschermingsbewind, welke zich in een vergevorderd stadium bevindt. Voorts heeft verzoeker schuldhulpverlening, die reeds de nodige werkzaamheden heeft verricht om ervoor te zorgen dat het minnelijk traject binnen de duur van de verzochte voorziening kan worden doorlopen en er een aanbod voor een schuldregeling kan worden gedaan aan de schuldeisers. De verwachting is dat de situatie van verzoeker zich de komende periode verder zal stabiliseren. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 29 december 2021 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te Schiedam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode volledig en tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat deze voorziening eindigt als de aanvraag tot beschermingsbewind wordt ingetrokken of afgewezen gedurende de periode van deze voorziening;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2022.
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen