De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van een pluimveehouder tegen een boete van €7.500,- opgelegd wegens vijf overschrijdingen van de maximale bezettingsdichtheid in haar stallen. De NVWA baseerde de boete op gegevens die de houder wettelijk verplicht was aan te leveren. De houder voerde aan dat de gebruikte gegevens onjuist waren en dat zij een scheidingsmethode toepaste waardoor het gewicht van uitgeladen kuikens zwaarder zou zijn dan dat van achtergebleven kuikens.
De rechtbank stelde vast dat de houder onvoldoende bewijs leverde dat de gegevens onjuist waren, behalve voor één beboetbaar feit waarvoor een paspoort werd overgelegd. Dit leidde tot verval van dat beboetbaar feit en een verlaging van de boete tot €6.000,-. De rechtbank schakelde de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) in, die adviseerde dat de berekeningsmethode van de NVWA in het algemeen voldoet en dat de scheidingsmethode niet aannemelijk is.
Verder oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn van de procedure met ruim drie jaar was overschreden, wat aanleiding gaf tot een verdere matiging van de boete met 35% tot €3.900,-. Het beroep tegen het eerste bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege herziening, het beroep tegen het tweede bestreden besluit werd gegrond verklaard. De rechtbank veroordeelde de Staat tot vergoeding van het griffierecht en een deel van de proceskosten wegens termijnoverschrijding.