Eiser was vanaf 1 april 2019 in een tijdelijk dienstverband bij de politie Rotterdam. Na een proeftijd besloot verweerder het dienstverband niet te verlengen vanwege ongepast en ongewenst gedrag richting vrouwelijke collega’s. Ondanks dat het onderzoek naar het gedrag van eiser beperkt en slordig was, oordeelde de rechtbank dat verweerder op basis van meerdere verklaringen van collega’s en een leidinggevende redelijkerwijs tot dit besluit kon komen.
Eiser ontkende de beschuldigingen grotendeels, maar kon deze ontkenningen niet voldoende onderbouwen. Hij had bovendien ruim tien maanden de gelegenheid gehad zijn gedrag aan te passen, maar dit gebeurde onvoldoende. De rechtbank toetste het besluit terughoudend en stelde vast dat het niet verlengen van het dienstverband niet gebaseerd was op eisers functioneren, maar op het niet voldoen aan de hoge eisen van integriteit en gedrag binnen de politie.
De rechtbank verwierp ook de stelling dat verweerder vooringenomen was of het besluit onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd was genomen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.