Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2022 in de zaken tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,
de minister voor Rechtsbescherming, verweerder,
Procesverloop
.
Overwegingen
De hoeveelheid hennepstekken wijst op grootschalige teelt. Eiser heeft bekend hierbij betrokken te zijn geweest. Het feit dat de strafzaak nog niet inhoudelijk is behandeld, vormt onvoldoende reden om uit te gaan van het standpunt dat eiser slechts zijdelings bij de hennepteelt betrokken is geweest en dat hem dus slechts een beperkt verwijt treft.
De rechtbank acht het verder van belang dat het tijdsverloop tussen de aanhouding en de tijdstippen van de beide aanvragen, afgezet tegen de terugkijktermijn van vijf jaar, nog steeds relatief kort is. Er was immers ook ten tijde van de handhaving van de afwijzing van de derde aanvraag in bestreden besluit 2 nog geen twee jaar verstreken sinds eisers aanhouding. Van eiser mag worden gevergd dat hij over een langere periode laat zien dat hij zich niet schuldig maakt aan het plegen van vergelijkbare strafbare feiten. Verweerder heeft voorts van belang kunnen achten dat, hoewel de reclassering heeft verklaard dat eiser zich goed aan de afspraken houdt en heeft verklaard dat de VOG van belang is voor eisers verdere ontwikkeling, eisers financiële problemen nog steeds niet zijn opgelost, althans eiser daarover niet volledig open is. In het rapport van de reclassering van 22 oktober 2019 is in verband hiermee opgemerkt dat het risico op recidive op de langere termijn niet kan worden uitgesloten. Eiser heeft voor het eerst ter zitting gesteld dat geen sprake meer is van schulden, maar deze stelling is in het geheel niet onderbouwd. Dit had in het licht van de eerdere twijfel op dit punt wel van eiser mogen worden verwacht. Tot slot is van belang dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij, ondanks de geweigerde VOG, tot nu toe steeds betaald werk heeft kunnen vinden en rond de € 5.000,-- bruto per maand verdient. Mede gelet hierop acht de rechtbank de uitkomst van de door verweerder gemaakte belangenafweging niet disproportioneel.
Beslissing
mr. M. Lammerse, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 11 maart 2022.