Vattenfall Sales Nederland N.V. vorderde betaling van openstaande facturen en schadevergoeding wegens vermeende contractbreuk door vroegtijdige beëindiging van de leveringsovereenkomst aan horecagelegenheid A. Deze laatste stelde dat zij de betalingsachterstand en borgsom had voldaan conform gemaakte afspraken en dat Vattenfall onterecht de leveringsovereenkomst had ontbonden.
De rechtbank stelde vast dat partijen een leveringsovereenkomst hadden tot eind 2021 en dat Vattenfall deze per 27 juli 2020 vroegtijdig had beëindigd. Uit bewijsstukken bleek dat horecagelegenheid A op 14 juli 2020 een bedrag had betaald dat zowel de openstaande vordering als de borgsom dekte, waarmee zij aan de voorwaarden voldeed om beëindiging te voorkomen.
De rechtbank oordeelde dat Vattenfall de overeenkomst onterecht had beëindigd en wees de factuur voor schadevergoeding af. Ook de hoofdsom van de leveringsperiode werd als voldaan beschouwd. De vordering van horecagelegenheid A tot onkostenvergoeding wegens immateriële schade werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
Vattenfall werd veroordeeld in de proceskosten, terwijl de kostenveroordeling voor horecagelegenheid A nihil bleef. Het vonnis werd uitgesproken door de kantonrechter van Kalmthout.