Eiser, voormalig stratenmaker, stelde dat het UWV zijn medische beperkingen onvoldoende had meegewogen bij de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid en dat hij niet in staat was de door het UWV geduide functies uit te voeren. Het UWV had de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 41,99%, later gewijzigd naar 45,71%, met een restverdiencapaciteit van € 1.041,65.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zich had gebaseerd op zorgvuldig opgestelde rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten waren begrijpelijk, consistent en hielden rekening met alle relevante medische informatie, waaronder klachten aan schouder en longen. De rechtbank stelde dat eiser onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om de rapporten te betwisten.
De arbeidsdeskundige had passende functies vastgesteld die passen bij de beperkingen van eiser en had het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op basis van het loonverlies. De rechtbank vond geen reden om de geschiktheid van deze functies in twijfel te trekken.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid en restcapaciteit correct had vastgesteld. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.