In deze zaak vordert Stichting Woonstad Rotterdam een gedragsaanwijzing tegen gedaagde vanwege eerdere overlast. Woonstad had aanvankelijk ook ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming gevorderd, maar trok deze vordering in nadat de gedragsaanwijzing volgens haar een gedragsverandering had bewerkstelligd.
Gedaagde betwistte de noodzaak van het handhaven van de gedragsaanwijzing bij eindvonnis, stellende dat er geen klachten meer waren en dat de huurovereenkomst en wet al voldoende verplichtingen bevatten. De kantonrechter constateerde dat gedaagde zich aan de gedragsaanwijzing had gehouden en dat er geen overlastklachten waren ontvangen.
De kantonrechter oordeelde dat een gedragsaanwijzing een tijdelijke maatregel is en dat het niet passend is deze voor onbepaalde tijd op te leggen. Gezien het feit dat gedaagde zich de afgelopen zes maanden goed heeft gedragen, werd de vordering afgewezen. Wel werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten, aangezien de procedure noodzakelijk was om het overlastgevende gedrag te stoppen.
Ten slotte waarschuwde de kantonrechter dat bij toekomstige overlast de kans groot is dat een vordering tot ontbinding en ontruiming zal worden toegewezen. De proceskosten werden begroot op een totaal van € 1.009,71 inclusief verschotten, griffierecht en salaris gemachtigde, en de veroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.